ECLI:NL:GHARN:2011:BR4284
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- I.A. Katz-Soeterboek
- E.B. Knottnerus
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kennelijk onredelijk ontslag wegens bedrijfsbeëindiging en reorganisatie
Appellant was sinds 1982 in dienst van Ploeg Ede en werd per 1 augustus 2009 ontslagen zonder vergoeding. Ploeg Ede kampte met ernstige financiële problemen en beëindigde haar bedrijfsactiviteiten in 2009. Er waren twee ontslagrondes: de eerste betrof negen werknemers met een ontslagvergoeding, de tweede vijftien werknemers, waaronder appellant, zonder vergoeding.
Appellant stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was op grond van artikel 7:681 BW Pro, onder meer vanwege de slechte arbeidsmarktpositie en het niet naleven van de Wet melding collectief ontslag (WMCO). Het hof oordeelde dat Ploeg Ede een zwaarwegend belang had bij het ontslag vanwege de bedrijfsbeëindiging, maar onvoldoende had onderzocht of de nadelige gevolgen voor de tweede groep werknemers konden worden beperkt.
Het hof stelde vast dat het ontbreken van een ontslagvergoeding voor appellant, ondanks de gelijke oorzaak van het ontslag, onredelijk was. Ook concludeerde het hof dat de WMCO niet van toepassing was op de beëindigingsovereenkomsten met wederzijds goedvinden die voorafgingen aan het ontslag. Het hof bepaalde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en wees een comparitie toe om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen en een minnelijke regeling te onderzoeken.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het ontslag van appellant kennelijk onredelijk en wijst een comparitie toe voor de vaststelling van de schadevergoeding.