ECLI:NL:GHARN:2011:BR3497
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Belastingteruggaven als nagekomen baten onder de wettelijke schuldsaneringsregeling
In deze civiele zaak stond centraal of belastingteruggaven over de jaren 2007 en 2008 moeten worden aangemerkt als nagekomen baten binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling die van toepassing was op appellanten van 17 maart 2006 tot 7 juli 2009.
De rechtbank Arnhem had eerder vastgesteld dat appellanten niet tekortgeschoten waren in hun verplichtingen en dat de zogenoemde schone lei was verleend. Na afloop van de schuldsaneringsregeling bleek dat er belastingteruggaven waren die betrekking hadden op de periode van de regeling. De voormalige bewindvoerder meldde deze teruggaven aan de rechtbank, waarna de rechtbank besloot tot vereffening en verdeling van deze baten.
Appellanten kwamen in hoger beroep tegen deze beschikking en voerden aan dat de belastingteruggaven niet tot de boedel behoorden omdat zij pas na het einde van de regeling waren ontstaan en dat de bewindvoerder reeds bekend was met mogelijke teruggaven. Het hof oordeelde dat de teruggaven wel degelijk tijdens de regeling waren ontstaan en dat de omvang pas na afloop duidelijk werd. De ratio van het bekendheidsvereiste in artikel 194 Fw Pro vereist dat baten ten tijde van de vereffening bekend zijn, wat hier niet het geval was.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van appellanten, waarmee de belastingteruggaven als nagekomen baten werden beschouwd en vereffend volgens de slotuitdelingslijst.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat belastingteruggaven als nagekomen baten moeten worden vereffend.