ECLI:NL:GHARN:2011:BR0727

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
5 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002124-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Hielkema
  • Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg
  • Bosma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 285 SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens meermalen verbaal bedreigen van dochter met misdrijf tegen het leven

Het gerechtshof Arnhem behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor het meermalen verbaal bedreigen van zijn dochter met een misdrijf tegen het leven gericht.

De bedreigingen vonden plaats in december 2009, waarbij verdachte zijn toen dertienjarige dochter dreigend toesprak met woorden als dat hij haar kapot zou maken als zij niet onmiddellijk thuis zou komen. De dochter voelde zich hierdoor daadwerkelijk bedreigd en deed aangifte. Verdachte verklaarde de bedreigingen te hebben geuit om zijn dochter thuis te krijgen vanwege zijn vrees dat zij in het loverboycircuit verkeerde.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn dochter meermalen heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven, waarbij het opzet gericht was op het teweegbrengen van vrees bij het slachtoffer. Tegelijkertijd hield het hof rekening met de herstelde vader-dochterrelatie, het feit dat het strafrechtelijk onderzoek begon met een onterechte verdenking van seksueel misbruik, en de afwezigheid van eerdere veroordelingen van verdachte.

Gelet op de relatief geringe ernst van de feiten en de bijzondere omstandigheden besloot het hof geen straf of maatregel op te leggen, hoewel het bewezen verklaarde strafbaar werd geacht. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte wordt schuldig verklaard aan meermalen verbaal bedreigen van zijn dochter, maar er wordt geen straf opgelegd.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
nevenzittingsplaats Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-002124-10
Uitspraak d.d.: 5 juli 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 september 2010 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1964],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 22 uren, subsidiair 11 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. W.P. Maris, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 februari 2007 tot en met 29 december 2009 in de gemeente [gemeente], althans in Nederland [slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, haar kapot zou gaan maken en/of zou gaan vermoorden en/of dat hij, verdachte, haar een mes in de ribben zou steken als hij haar zou vinden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 28 december 2009 tot en met
29 december 2009 in de gemeente [gemeente], [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, haar kapot zou gaan maken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bespreking gevoerd verweer
De raadsman heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat verdachte met de door hem tegen zijn dochter [slachtoffer] gesproken woorden niet het opzet heeft gehad bij haar de vrees te doen ontstaan dat zij het leven zou laten. Hij wilde haar met die woorden thuis krijgen, omdat zij in zijn ogen al te lang van huis was en hij bang was dat zij zich in het loverboy circuit bevond. Volgens de raadsman leveren de door verdachte gesproken woorden dan ook geen bedreigingen op als bedoeld in artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof het navolgende vast.
Verdachte heeft in de periode van 28 december 2009 tot en met 29 december 2009 zijn destijds dertienjarige dochter [slachtoffer], gedurende de tijd dat [slachtoffer] samen met haar vriendin folders liep, tot tweemaal toe gebeld, waarbij hij telkens dreigend tegen haar heeft gezegd dat hij haar kapot zou maken als zij niet onmiddellijk thuis zou komen.
[slachtoffer] heeft van vorenstaande op 7 januari 2010 aangifte gedaan. Uit haar aangifte blijkt dat zij zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld.
Verdachte heeft ter zitting van de politierechter verklaard, dat het klopt dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd.
Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, is het hof van oordeel, dat de door verdachte tegen zijn dochter [slachtoffer] geuite bedreigingen zijn geschied onder zodanige omstandigheden, dat bij [slachtoffer] tot tweemaal toe de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte telkens op het teweegbrengen van die vrees was gericht. Verdachte moet zich immers minst genomen bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat zijn dochter door zijn woorden en gedragingen vrees werd ingeboezemd. Dat hij dit, zoals hij ter zitting van het hof stelt, heeft gedaan om haar thuis te krijgen doet aan dit opzet niet af.
Derhalve acht het hof - anders dan de raadsman - bewezen, dat verdachte zijn dochter [slachtoffer] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht als bedoeld in artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht
Bij de keuze van de in deze zaak passende strafrechtelijke afdoening heeft het hof gelet op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Uit een kopie van een door de raadsman van verdachte overgelegd schrijven van [slachtoffer] blijkt dat de vader-dochter-relatie intussen is hersteld: [slachtoffer] heeft hierin onder meer aangegeven begrip op te kunnen brengen voor haar vaders standpunt in de opvoedsituatie van destijds.
Het hof houdt er voorts rekening mee dat het strafrechtelijk onderzoek waaruit de bewezen verklaarde feiten uiteindelijk zijn gedestilleerd, aanvankelijk is begonnen met een onderzoek naar vermeend vergaand seksueel misbruik door verdachte van zijn dochter. Gebleken is dat het verwijt dat [slachtoffer] haar vader in dat kader heeft gemaakt en dat zij aan verschillende mensen heeft verteld, ten onrechte is geweest. Bovendien zitten er in het dossier meerdere aanwijzingen dat [slachtoffer] zich destijds ook op andere wijzen manipulatief heeft gedragen en uitgelaten, teneinde zoveel mogelijk haar eigen gang te kunnen gaan. De radeloosheid van verdachte ten aanzien van het gedrag van zijn jonge dochter maakt
de bewezen verklaarde feiten enigszins verklaarbaar.
Gelet op de relatief geringe ernst van de feiten, alsmede op het gegeven dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 april 2011 nooit eerder ter zake van het plegen van een strafbaar feit is veroordeeld, een en ander in samenhang bezien met de hierboven weergegeven omstandigheden van het geval, is het hof van oordeel dat volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Aldus gewezen door mr. Hielkema, voorzitter, mr. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, senior raadsheer, en mr. Bosma, raadsheer, in tegenwoordigheid van Boersma, griffier,
en op 5 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.