ECLI:NL:GHARN:2011:BQ6581
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens huurachterstand en schade
In deze civiele zaak stond het hoger beroep centraal tegen de afwijzing van het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar, een voormalig huurder van een bedrijfspand. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat de schuldenaar niet te goeder trouw was geweest met betrekking tot het onbetaald laten van huurtermijnen en schade aan het gehuurde.
De appellant, de verhuurder, voerde aan dat de rechtbank het begrip goede trouw te strikt had uitgelegd en dat de schuldenaar verwijtbaar had gehandeld door het onnodig laten oplopen van huurachterstanden, het weigeren van een redelijk bod tot beëindiging van de huurovereenkomst en het veroorzaken van aanzienlijke schade bij ontruiming. Het hof stelde vast dat deze feiten en omstandigheden op het moment van het verzoek tot omzetting van de schuldsaneringsregeling al bestonden, maar de rechtbank hier niet van op de hoogte was.
Het hof oordeelde dat de schuldenaar niet aannemelijk had gemaakt te goeder trouw te zijn geweest en dat het onnodig laten oplopen van de huurachterstand en de moedwillige schade aan het gehuurde reden waren om het verzoek tot omzetting af te wijzen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere afhandeling, waaronder het vaststellen van het salaris van de bewindvoerder.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw handelen van de schuldenaar.