ECLI:NL:GHARN:2011:BP8474
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- C.J. Laurentius-Kooter
- W. Duitemeijer
- J.J. Makkink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep effectenlease: schending bijzondere zorgplicht Levob en verrekening restschuld
In deze civiele zaak staat de effectenleaseovereenkomst tussen appellanten en Levob Bank N.V. centraal, waarbij appellanten via Levob een lening aangingen voor beleggingen met het product 'Het Levob Hefboom Effect'. Na het staken van rentebetalingen verkocht Levob de effectenportefeuilles, waarna een restschuld ontstond die appellanten niet betaalden.
De rechtbank had appellanten veroordeeld tot betaling van de restschuld en rente, maar appellanten stelden dat Levob haar bijzondere zorgplicht had geschonden door onvoldoende te waarschuwen voor risico's en onvoldoende onderzoek te doen naar hun financiële draagkracht. Het hof bevestigt dat Levob een bijzondere zorgplicht rustte, bestaande uit een waarschuwingsplicht en een onderzoeksplicht omtrent de financiële positie van appellanten.
Het hof oordeelt dat Levob tekort is geschoten in haar onderzoeksplicht, aangezien het onderzoek onvoldoende was en de financiële lasten voor appellanten naar redelijke verwachting onaanvaardbaar zwaar waren. Hierdoor bestaat een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming van Levob en de totstandkoming van de overeenkomst en de schade van appellanten. Wel wordt de vergoedingsplicht van Levob verminderd wegens eigen schuld van appellanten, die de overeenkomst ondanks de risico's zijn aangegaan.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, wijst de vorderingen van Levob af en bepaalt dat twee derde van de restschuld en betaalde rente voor rekening van Levob komt. Levob wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van Levob af en bepaalt dat twee derde van de restschuld en betaalde rente voor rekening van Levob komt.