ECLI:NL:GHARN:2011:BP5584
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- P.L.R. Wefers Bettink
- B.M. Mens
- J.H. Lieber
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vordering onrechtmatige daad en overgang krachtens erfrecht
In deze civiele zaak in hoger beroep staat de vordering van geïntimeerde centraal, die stelt dat appellant gelden van de moeder van partijen ten onrechte heeft toegeëigend. De rechtbank had reeds vastgesteld dat appellant de gelden niet aan goede doelen heeft geschonken zoals hij beweerde, maar deze voor eigen gebruik heeft aangewend. Appellant betwist dit en biedt tegenbewijs aan.
Het hof acht de verklaring van appellant onwaarschijnlijk en bevestigt het vermoeden van toe-eigening. Appellant wordt in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren, onder meer door getuigen te laten horen. Het hof overweegt dat geïntimeerde haar vordering op grond van onrechtmatige daad mag baseren, ook al was dit niet expliciet in eerste aanleg gesteld.
Verder wijst het hof het verweer van appellant af dat geïntimeerde eigen schuld zou hebben, omdat zij geen reden had de administratie van haar moeder te controleren. Ook wordt het beroep op matiging van schadevergoeding verworpen. De zaak wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en verdere beslissing.
Het arrest is gewezen door drie raadsheren en is uitgesproken in een openbare terechtzitting op 11 januari 2011.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vermoeden van toe-eigening door appellant en staat hem toe tegenbewijs te leveren; verdere beslissing wordt aangehouden.