ECLI:NL:GHARN:2011:BP5044
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- R. den Ouden
- J. Lamens
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over Duitse banktegoeden en toerekening aan echtgenote
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en gehuwd, exploiteert samen met zijn echtgenote een grillroom. Hij beschikte over spaarrekeningen bij Duitse banken waarvan de saldi aanzienlijk waren, maar deze tegoeden had hij niet opgegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting 2005. De Inspecteur rekende deze tegoeden tot zijn rendementsgrondslag, hetgeen belanghebbende betwistte. De Rechtbank Arnhem oordeelde in eerste aanleg dat belanghebbende gerechtigde was tot de Duitse bankrekeningen en legde een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €3.750 vast.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de tegoeden toebehoorden aan zijn in Duitsland wonende oom, maar het Hof achtte deze stelling niet aannemelijk. Het Hof benadrukte dat de rekeningen op naam van belanghebbende stonden en dat hij als rechthebbende over de tegoeden kon beschikken, ongeacht het feit dat hij geen opnames had gedaan. Het Hof stelde vast dat de Inspecteur terecht de saldi tot de rendementsgrondslag had gerekend.
Verder oordeelde het Hof dat op grond van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de helft van de rendementsgrondslag aan de echtgenote van belanghebbende moet worden toegerekend. Dit standpunt werd door de Inspecteur onderschreven, waardoor het Hof de aanslag verminderde tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €1.484.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en gelastte vergoeding van het griffierecht. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd, behoudens de proceskosten en griffierechtbeslissingen.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2005 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €1.484, waarbij de helft van de Duitse banktegoeden aan de echtgenote wordt toegerekend.