ECLI:NL:GHARN:2010:BO8964
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg
- J. Hielkema
- H. Heins
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs seksueel misbruik minderjarige pleegdochter
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor verschillende misdrijven, waaronder verkrachting en ontuchtige handelingen met zijn minderjarige pleegdochter. In hoger beroep richtte verdachte zich tegen de vrijspraak van verkrachting en de veroordeling wegens ontuchtige handelingen.
Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de vrijspraak van verkrachting. Ten aanzien van de ontuchtige handelingen oordeelde het hof dat het bewijs onvoldoende was om tot een bewezenverklaring te komen. De verklaringen van het slachtoffer waren weinig gedetailleerd en konden niet worden gekoppeld aan specifieke tijdstippen of omstandigheden. De getuigenverklaringen waren gebaseerd op indirecte waarnemingen en conclusies, en boden onvoldoende steun.
De advocaat-generaal had gepleit voor veroordeling, maar het hof volgde dit niet. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten onder 2. De kosten van het geding werden begroot op nihil.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van ontuchtige handelingen wegens onvoldoende bewijs en niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen vrijspraak verkrachting.