ECLI:NL:GHARN:2010:BM5956
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat na 1 april 2009 tussen partijen een overeenkomst van opdracht bestaat en geen arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat centraal of de relatie tussen appellant en Nedcon na 1 april 2009 moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst of als een overeenkomst van opdracht. De kantonrechter had reeds geoordeeld dat het een overeenkomst van opdracht betrof en wees de vorderingen van appellant af. Het hof bevestigt dit oordeel.
Appellant had na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 april 2009 een contract dienstverlening gesloten dat als overeenkomst van opdracht was geformuleerd, met een looptijd tot 31 december 2009. Appellant factureerde Nedcon maandelijks en was tot 1 juli 2009 volledig, daarna voor 50% beschikbaar. Hij werkte zijn opvolger in en ontving geen vakantiegeld of vrije dagen meer.
Het hof oordeelt dat de feitelijke uitvoering en de bedoeling van partijen wijzen op een overeenkomst van opdracht. Het door appellant ingeroepen rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst geldt niet voor flexibele arbeid in opdracht. Het spoedeisend belang van appellant wordt wel erkend, maar de grieven falen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en bevestigt dat na 1 april 2009 een overeenkomst van opdracht bestaat en geen arbeidsovereenkomst.