ECLI:NL:GHARN:2009:BK7666
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.A.W. Lensing
- C.G. Nunnikhoven
- C.H.B. Winters
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding en economische eenheid bij aanvraag bijstand
In deze strafzaak stond centraal of verdachte in de periode van 7 januari 2006 tot en met 19 november 2006 een economische eenheid vormde met haar vriend en met hem een duurzame gezamenlijke huishouding voerde, wat relevant was voor de rechtmatigheid van haar aanvraag bijstand.
De politierechter had geoordeeld dat sprake was van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding, maar het hof stelde dat dit vermoeden alleen geldt indien betrokkenen ten tijde van de aanvraag in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben én in de twee jaren daarvoor als gehuwden zijn aangemerkt door een overheidsinstantie. Dit was in deze zaak niet vastgesteld.
Uit het dossier bleek dat de vriend weliswaar frequent aanwezig was op het adres van verdachte en daar ook stond ingeschreven gedurende een deel van de periode, maar er was onvoldoende bewijs dat zij zorg droegen voor elkaar of financieel met elkaar waren verweven. Getuigenverklaringen en politiegegevens wezen vooral op samenwoning, niet op gezamenlijke huishouding.
Het hof vernietigde daarom het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde feit van het opzettelijk niet volledig melden van een gezamenlijke huishouding bij de aanvraag van bijstand.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat zij een gezamenlijke huishouding voerde en een economische eenheid vormde bij de aanvraag van bijstand.