ECLI:NL:GHARN:2009:BK7520
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- C.G. ter Veer
- B.M. Mens
- J.H. Lieber
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap en berekening legitieme portie met terugwerkende kracht
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, die na het overlijden van de erflater plaatsvond, ook terugwerkende kracht heeft in het erfrecht. De geïntimeerde stelde aanspraak te maken op haar legitieme portie, terwijl de appellanten dit betwistten en diverse grieven indienden tegen eerdere vonnissen van de rechtbank.
Het hof oordeelde dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap op grond van art. 1:207 lid 5 BW Pro ook erfrechtelijk terugwerkende kracht heeft, waardoor de geïntimeerde als legitimaris wordt beschouwd vanaf het moment van overlijden van de erflater. De appellanten zijn geen derden in de zin van deze bepaling. Daarnaast werd vastgesteld dat verkoopkosten van de nalatenschapswoning en notariskosten niet in mindering kunnen worden gebracht op de waarde van de nalatenschap voor de berekening van de legitieme portie.
Verder werd geoordeeld dat de wettelijke rente over de legitieme portie pas verschuldigd is vanaf 6 juni 2006, de datum van dagvaarding, en niet vanaf 26 maart 2006 zoals de rechtbank eerder had bepaald. Het conservatoir beslag dat de geïntimeerde had gelegd op de nalatenschapsgoederen en andere vermogensbestanddelen was niet onrechtmatig, aangezien het een middel was om haar vordering veilig te stellen. Het hof vernietigde het vonnis van 19 maart 2008 voor zover het de rente betrof en bevestigde de rest van de eerdere vonnissen, waarbij de kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de erfrechtelijke terugwerkende kracht van vaderschapsvaststelling, wijzigt de rentevordering en wijst het beslag niet onrechtmatig.