ECLI:NL:GHARN:2009:BK6801
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep kort geding
- Mollema
- Zuidema
- Fikkers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep in kort geding over omgangsregeling na bodemuitspraak
In deze zaak stond de vraag centraal of appellant recht had op omgang met het kind, waarbij het kort geding was aangespannen tegen geïntimeerde. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad had op 26 mei 2009 een vonnis gewezen, waartegen appellant hoger beroep instelde.
Het hof benadrukte dat de voorzieningenrechter in kort geding zijn oordeel dient af te stemmen op dat van de bodemrechter, ongeacht of het bodemvonnis tussenvonnis of eindvonnis is. De bodemrechter had inmiddels een beschikking gegeven waarin appellant een voorlopige omgangsregeling met het kind was toegekend.
Omdat geïntimeerde in hoger beroep niet was verschenen en verstek was verleend, ging het hof uit van de onbetwiste stellingen van appellant. Het hof concludeerde dat er geen grond meer was voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis en dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde in kort geding daarmee was komen te vervallen.
Het hof vernietigde het kortgedingvonnis van 26 mei 2009, behoudens de proceskosten, en wees de vordering van geïntimeerde af. Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, compenseerde het hof de proceskosten in hoger beroep, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot verbod op executiemaatregelen af en vernietigt het kortgedingvonnis van 26 mei 2009 behoudens proceskosten.