ECLI:NL:GHARN:2009:BJ5227
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens nieuwe schulden tijdens faillissement
Appellanten hebben bij de rechtbank Almelo verzocht om opheffing van hun faillissement met gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen. In hoger beroep hebben zij dit vonnis aangevochten en alsnog toelating tot de schuldsaneringsregeling gevraagd.
Het hof heeft vastgesteld dat appellanten gehuwd zijn en samen met twee jonge kinderen een gezin vormen. Hun schuldenlast bedraagt circa € 89.000,-, waaronder schulden aan de gemeente Veenendaal en het UWV. Tijdens het faillissement zijn bovendien nieuwe schulden ontstaan, onder meer aan het UWV en het CJIB.
De rechtbank oordeelde dat appellanten niet te goeder trouw waren met betrekking tot het ontstaan van bepaalde schulden en dat het niet passend was om ook de tijdens het faillissement ontstane schulden te saneren. Appellanten voerden aan dat zij vanwege hun zorg voor ernstig gehandicapte kinderen en begeleiding door maatschappelijke instanties niet in staat waren hun financiën volledig op orde te krijgen.
Het hof heeft geoordeeld dat het bestaan van nieuwe schulden tijdens het faillissement een wettelijke grond vormt om toelating tot de schuldsaneringsregeling te weigeren, zoals bepaald in artikel 288 lid 1 onder Pro c van de Faillissementswet. Ondanks de inspanningen van appellanten om hulp te zoeken, is nog niet gebleken dat zij een situatie hebben bereikt waarin geen nieuwe schulden meer ontstaan.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is het vonnis van de rechtbank Almelo van 24 maart 2009 bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank Almelo wordt bekrachtigd.