ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4177
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- B.M. Mens
- P.L.R. Wefers Bettink
- C.G. ter Veer
- Rechtspraak.nl
Verzuim en wettelijke rente over uitkering na verdeling deelgenootschap bij echtscheiding
Partijen waren gehuwd en gingen in 1996 uit elkaar. Zij sloten een echtscheidingsconvenant waarin afspraken werden gemaakt over alimentatie, overbedeling en pensioenrechten. De vrouw stelde het convenant nietig en vroeg vernietiging van de verdeling van het deelgenootschap. De rechtbank vernietigde het convenant en beval de man mee te werken aan de afrekening. De man startte vervolgens een procedure tot vaststelling van de verrekening conform de huwelijkse voorwaarden, waarop de vrouw rente vorderde vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk.
De Hoge Raad vernietigde een eerder arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem voor verdere behandeling, met name over het moment van ingang van de rentevergoeding. Het hof overweegt dat verzuim in beginsel niet intreedt op het moment van het ontstaan van de vordering, maar na ingebrekestelling of in gevallen zoals genoemd in art. 6:83 BW Pro. De vrouw stelde dat zij herhaaldelijk ingebrekestelling heeft gedaan, maar het hof constateert dat zij onvoldoende stukken heeft overgelegd om dit te bewijzen.
Het hof verwijst de zaak naar de rol voor nadere uitlatingen en overlegging van correspondentie door de vrouw, zodat de man hierop kan reageren. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing. Hiermee wordt de vraag wanneer de wettelijke rente verschuldigd is nog niet definitief beantwoord, maar is de procedure voortgezet om dit nader te onderzoeken.
Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere uitlating en overlegging van stukken over ingebrekestelling en verzuim.