ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3740
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- R. den Ouden
- A.O. Lubbers
- P.J.J. Vonk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijval herinvesteringsreserve wegens ontbreken begin herinvestering
Belanghebbende, een vennootschap die een fiscale eenheid vormt met haar dochtervennootschap, had in 2000 een vervangingsreserve gevormd na verkoop van haar assurantiekantoor. Deze reserve werd omgezet in een herinvesteringsreserve. In de aanslag vennootschapsbelasting 2004 voegde de inspecteur deze reserve aan de winst toe wegens het verlopen van de herinvesteringstermijn.
Belanghebbende voerde aan dat bijzondere omstandigheden, namelijk de langdurige arbeidsongeschiktheid van haar directeur, een uitzondering rechtvaardigden en dat een begin van herinvestering was gemaakt met de opstart van een makelaarskantoor in 2005. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde dit oordeel.
Het hof oordeelde dat de uitzondering in artikel 3.54, vijfde lid, Wet IB 2001 vereist dat een begin van uitvoering van de herinvestering is gegeven. Dit was ultimo 2004 niet het geval. De latere plannen in 2005 konden daaraan niets veranderen. De vraag of de ziekte van de directeur een bijzondere omstandigheid vormt, bleef daardoor onbesproken.
Het hof wees ook het beroep op een eerdere uitspraak van het hof Arnhem af, omdat die zaak ging over een ander onderwerp. Het hof achtte geen reden voor proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herinvesteringsreserve wordt terecht aan de winst toegevoegd.