ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3061
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging pachtovereenkomst na afwijzing verlengingsverzoek en medepachterschap
In deze zaak stond centraal of de pachtovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde, die als medepachter was aangemerkt, na afloop van de huidige pachttermijn op 1 november 2009 voortduurde. Appellant had tijdig aan de toenmalige enige pachter, de moeder van geïntimeerde, medegedeeld geen verlenging van de pacht te wensen. De moeder had vervolgens een verzoek tot verlenging ingediend, dat door de pachtkamer werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd geen hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde stelde dat na zijn aanwijzing als medepachter opnieuw een kennisgeving van niet-verlenging aan hem had moeten plaatsvinden. Het hof oordeelde echter dat de kennisgeving aan de enige pachter destijds voldoende was om verlenging van rechtswege te voorkomen en dat de afwijzing van het verlengingsverzoek ook voor de medepachter gold. Geïntimeerde had tegen de beschikking hoger beroep kunnen instellen maar had dit nagelaten, waardoor de pachtovereenkomst ook voor hem eindigde.
Het hof vernietigde het vonnis van de pachtkamer en verklaarde voor recht dat de pachtrelatie per 1 november 2009 eindigt. Geïntimeerde werd veroordeeld tot ontruiming en oplevering van het gepachte, met machtiging voor appellant om ontruiming zelf te bewerkstelligen indien nodig. De vorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Deze uitspraak bevestigt de werking van de oude Pachtwet en het belang van tijdige en juiste kennisgevingen en procedures bij pachtverlengingen, ook voor medepachters.
Uitkomst: De pachtovereenkomst eindigt per 1 november 2009 en geïntimeerde wordt veroordeeld tot ontruiming van het gepachte.