ECLI:NL:GHARN:2009:BH4688
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over status en beëindiging dienstwoning en huurovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen een BV en twee voormalige werknemers over de status van een gehuurde woning en het recht op bewoning na beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2006.
Appellante stelt dat de woning een eigenlijke dienstwoning betreft, verhuurd in verband met de arbeidsrelatie, en dat het recht op bewoning daarmee is geëindigd. Geïntimeerden betwisten dit en voeren aan dat sprake is van gewone huur met huurbescherming.
Het hof oordeelt dat appellante bewijs mag leveren dat de woning een eigenlijke dienstwoning is. Indien dit niet wordt bewezen, zal de primaire vordering worden afgewezen en zal het hof de subsidiaire vorderingen tot ontbinding of beëindiging van de huurovereenkomst beoordelen. Indien wel bewezen, verzetten de regels over beëindiging van de arbeidsovereenkomst zich tegen toepassing van huurbescherming, waardoor het recht op bewoning eindigt.
Het hof bepaalt nadere bewijslevering door middel van getuigenverhoren en stelt procedurele voorwaarden vast. De beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en eventueel overeenstemming tussen partijen is bereikt.
Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over de status van de woning als dienstwoning en houdt de beslissing aan.