ECLI:NL:GHARN:2008:BH1319
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake bewijslevering blootstelling gevaarlijke stoffen bij BASF
In deze civiele zaak in hoger beroep staat de bewijslevering centraal omtrent de blootstelling van appellant aan gevaarlijke stoffen tijdens zijn werkzaamheden bij BASF in de periode 1981 tot 1991.
Het hof heeft in een tussenarrest BASF gevraagd nadere informatie te verstrekken over de relevantie van een rapport uit 1995 en de samenstelling van de inkten waarmee appellant werkte. BASF stelde dat de werkomstandigheden en stoffen in 1995 niet wezenlijk verschilden van die in de periode 1981-1991 en dat de inkten geen oplosmiddelen bevatten, hoewel de recepturen per abuis vernietigd zijn.
Appellant betwistte de representativiteit van de metingen uit 1995 en stelde dat de gebruikte oplosmiddelen in zijn periode vluchtiger en toxischer waren. Hij wees op ontbrekende bijlagen en een vertrouwelijke rapportage uit 1981. Het hof concludeert dat appellant in beginsel tot bewijslevering moet worden toegelaten, maar dat hij afhankelijk is van informatie van BASF.
Daarom verwijst het hof de zaak naar de rol om BASF in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de niet overgelegde stukken, alvorens verder te beslissen. Dit arrest is gewezen door het hof Arnhem op 2 september 2008.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en terugverwezen om BASF aanvullende informatie te laten verstrekken over niet overgelegde stukken.