ECLI:NL:GHARN:2008:BE2748
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van den Dungen
- Ter Veer
- Van Osch
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt opheffing wettelijk vruchtgebruik op nalatenschapsgoederen
De zaak betreft een geschil over het wettelijk vruchtgebruik van een moeder op de nalatenschap van haar overleden echtgenoot, waarbij de zoon in hoger beroep verzoekt de verplichting tot medewerking aan het vestigen van dit vruchtgebruik op te heffen.
De moeder heeft het vruchtgebruik op de woning en inboedel gelegateerd gekregen en tevens op andere goederen van de nalatenschap. De zoon betwist de noodzaak van dit vruchtgebruik voor de verzorging van de moeder en verzoekt opheffing daarvan. Het hof oordeelt dat de zoon onvoldoende heeft onderbouwd dat de moeder geen verzorgingsbehoefte heeft met betrekking tot het vruchtgebruik op de woning en inboedel. De moeder is slecht ter been en gehecht aan de woning, waardoor voortgezette bewoning van groot belang is.
Ten aanzien van het vruchtgebruik op andere goederen oordeelt het hof dat de moeder geen behoefte heeft aan dit vruchtgebruik, mede gelet op haar inkomsten en het passende verzorgingsniveau. De zoon heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de moeder geen substantieel inkomen uit haar vermogen ontvangt. Het hof vernietigt daarom het deel van de beschikking dat het verzoek van de zoon tot opheffing van het vruchtgebruik op andere goederen afwees en heft deze op.
Het hof wijst het verzoek van de zoon om de bevoegdheden van de moeder met betrekking tot het vruchtgebruik op woning en inboedel te beperken of te ontzeggen af, omdat het enkel gaat om zijn wens om zelf in de woning te wonen en hij geen zwaarwegend belang heeft aangetoond. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof heft het vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap op en handhaaft het vruchtgebruik op woning en inboedel.