ECLI:NL:GHARN:2008:BD8971

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
16 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
VI 01/08
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem op 16 juli 2008 uitspraak gedaan over de vordering van de advocaat-generaal te Amsterdam, die strekte tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde. De vordering was gebaseerd op de stelling dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig had misdragen, door tijdens een onttrekking aan die tenuitvoerlegging een poging tot doodslag te hebben gepleegd. De veroordeelde was op 26 oktober 2007 aangehouden in verband met deze nieuwe strafbare feiten, waarbij hij met een vuurwapen had geschoten.

Tijdens de zitting op 21 maart 2008 heeft het hof vastgesteld dat er onvoldoende informatie beschikbaar was om een beslissing te nemen over de vordering. Er was een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut binnengekomen, dat concludeerde dat de hulzen die bij de schietpartij op 26 oktober 2007 waren gevonden, waarschijnlijk niet waren verschoten met het vuurwapen dat onder de veroordeelde in beslag was genomen. Dit vuurwapen was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gebruikt bij een eerder schietincident in Amsterdam op 23 juli 2007, terwijl de veroordeelde op dat moment in detentie zat.

Het hof heeft in zijn beoordeling geconcludeerd dat er onvoldoende grondslag aanwezig was voor het geheel of gedeeltelijk achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling. De advocaat-generaal had ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, en het hof heeft deze conclusie overgenomen. De beslissing van het hof is gebaseerd op de thans voorhanden informatie, waaruit niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een ernstige misdraging in de zin van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafrecht. De vordering van de advocaat-generaal te Amsterdam is dan ook afgewezen.

Uitspraak

VI-nummer: 01/08
Uitspraak: 16 juli 2008
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 21 januari 2008 ingekomen vordering van de advocaat-generaal te Amsterdam van 18 januari 2008, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 16 juli 2008 gehoord de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling af te wijzen.
Overwegingen
Grondslag van de vordering
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 29 oktober 2004 van de rechtbank te Amsterdam opgelegde gevangenisstraf van 9 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht en wel door tijdens een onttrekking aan die tenuitvoerlegging een poging doodslag te hebben gepleegd.
Ernstige misdraging
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.
Veroordeelde is op 26 oktober 2007 aangehouden in verband met nieuwe strafbare feiten. Hij zou die dag, tijdens een onttrekking aan de tenuitvoerlegging van zijn detentie, een poging doodslag hebben gepleegd door met een vuurwapen te schieten. Veroordeelde is vervolgens in verzekering gesteld en tegen hem is een bevel tot bewaring verleend. Op 10 december 2007 is de voorlopige hechtenis van veroordeelde onder voorwaarden geschorst.
Ter terechtzitting van 21 maart 2008 heeft het hof geoordeeld dat het zich, op grond van het voorhanden zijnde proces-verbaal van politie en het schotrestenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, onvoldoende voorgelicht achtte om op de vordering tot achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling te kunnen beslissen. Het hof was van oordeel dat diverse punten in de nieuwe strafzaak nog onderzocht dienden te worden.
Sinds de zitting van 21 maart 2008 is bij het hof als nieuwe informatie binnengekomen een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 mei 2008, inhoudende een wapen- en munitieonderzoek. Als conclusie staat in dit rapport vermeld dat de hulzen die bij de schietpartij op 26 oktober 2007 zijn gevonden waarschijnlijk niet zijn verschoten met het vuurwapen dat onder veroordeelde in beslag is genomen. Voorts wordt geconcludeerd dat dit betreffende vuurwapen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gebruikt is bij een eerder schietincident in Amsterdam op 23 juli 2007. Uit de registratiekaart inzake de detentiestatus van veroordeelde volgt dat veroordeelde op 23 juli 2007 in detentie zat.
Naast de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 mei 2008 is bij het hof geen nieuwe informatie in de nieuwe strafzaak binnengekomen.
Op grond van het bovenstaande is het hof in deze fase van het onderzoek onvoldoende gebleken dat er een gerede kans is dat een strafrechter later oordelend tot een veroordeling terzake poging tot doodslag zal komen. Het hof is van oordeel dat op grond van de thans voorhanden informatie niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een ernstige misdraging in de zin van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafrecht
Beoordeling van de vordering
Op grond van het bovenstaande, alsmede gelet op het standpunt van de advocaat-generaal bij dit hof, die ter zitting heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, acht het hof onvoldoende grondslag aanwezig voor het geheel dan wel gedeeltelijk achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde en dient de vordering van de advocaat-generaal te worden afgewezen.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
- Wijst de vordering van de advocaat-generaal te Amsterdam af.
Aldus gewezen door:
mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter
mrs J.M.J. Denie en A. van Waarden, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier
en op 16 juli 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.