ECLI:NL:GHARN:2008:BC6664

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
17 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2007/1360
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van der Weij
  • Smeeïng-van Hees
  • Knottnerus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b Faillissementswet
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Appellant, een alleenstaande man van 48 jaar, werkte tot 2001 bij een penitentiaire inrichting en was daarna grotendeels werkloos met een bijstandsuitkering. Hij heeft een schuldenlast van circa €21.000, waaronder schulden aan KPN, Vodafone, Laser Services/PrimeLine en een huurschuld.

De rechtbank Arnhem wees het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af omdat appellant niet te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van een groot deel van zijn schulden. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant, gelet op zijn werkloze situatie en reeds bestaande financiële verplichtingen, had moeten weten dat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen.

Het hof verwerpt het verweer van appellant dat zijn schulden voortkomen uit psychische en somatische klachten, omdat dit onvoldoende onderbouwd is. Ook bijzondere omstandigheden die een andere beslissing zouden rechtvaardigen zijn niet aannemelijk gemaakt. Daarom wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek tot schuldsanering afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsanering af wegens gebrek aan goede trouw.

Uitspraak

17 januari 2008
eerste civiele kamer
rekestnummer 2007/1360
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
procureur: mr. P.L.P.M. van Aalst.
1 Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 29 oktober 2007 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
1.2 Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 5 november 2007 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te willigen.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken, van de brief met bijlagen van 5 november 2007 en het faxbericht met bijlagen van 8 november 2007 van de procureur van [appellant] en van de tijdens de mondelinge behandeling door de procureur overgelegde stukken, waaronder een ongedateerde voorlopige rapportage van een door [...], arbeidsmedisch adviseurs, bij [appellant] verricht psychodiagnostisch onderzoek.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn procureur.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellant] is een thans 48-jarige alleenstaande man, die aanvankelijk op detacheringsbasis en van 1999 tot 2001 op basis van een contract van twee jaar heeft gewerkt bij een penitentiaire inrichting. Dit contract is niet verlengd. Sinds november 2001 heeft [appellant], behoudens vier à vijf maanden uitzendwerk in 2003 en een maand uitzendwerk in 2006, geen betaald werk verricht. De loongerelateerde WW-uitkering van [appellant] bedroeg ten tijde van de toekenning daarvan in november 2001 f 1.600,- (€ 726,-) netto per maand. Vanaf maart 2004 heeft [appellant] een zogenoemde verlengde WW-uitkering ontvangen op basis van het wettelijk minimumloon van ongeveer € 800,- netto per maand.
Thans ontvangt [appellant] een bijstandsuitkering, die volgens de Verklaring Schuldsanering € 823,38 netto per maand, exclusief vakantietoeslag, bedraagt.
[appellant] is in budgetbeheer en ontvangt sinds oktober 2007 € 50,- per week aan leefgeld.
3.2 [appellant] heeft aanvankelijk een kamer gehuurd, waarvoor hij naar eigen zeggen € 250,- per maand “all-in” betaalde. Sinds 2004 bewoont hij een huurwoning, waarvoor hij € 340,- per maand aan huur betaalt. Van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 heeft een kennis van [appellant] (een nadien uitgezonden beroepsmilitair) gedurende de weekeinden bij [appellant] gewoond. Gedurende die periode heeft [appellant] van deze kennis een vergoeding van € 200,- per maand ontvangen.
3.3 De schuldenlast van [appellant] bedraagt ongeveer € 21.000,-. Van deze schuldenlast maken deel uit een schuld uit 2004 aan Nuon van € 2.788,44, een schuld uit 2004/2005 aan de Stadsbank [...] van € 1.274,12, een schuld uit 2005 aan KPN Mobile The Netherlands BV (verder te noemen: KPN) van € 1.545,63, een schuld uit 2006 aan Laser Services/PrimeLine van € 2.214,76, een schuld uit 2006 aan Vodafone van € 1.541,83 en een huurschuld aan Volkshuisvesting van € 2.669,10.
3.4 De rechtbank grondt haar afwijzende beslissing, kort gezegd, op het oordeel dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest, omdat [appellant] in de situatie waarin hij werkloos was een lening bij de Stadsbank [...] en PrimeLine is aangegaan, belschulden heeft laten ontstaan bij KPN en Vodafone, terwijl [appellant] verklaard heeft dat hij op het moment dat hij de abonnementen afsloot wist dat hij deze niet kon betalen. Ten slotte verwijt de rechtbank [appellant] dat hij een huurschuld heeft laten ontstaan bij Volkshuisvesting, terwijl hij tot voor kort iemand bij zich had wonen die bijdroeg in de huurlasten.
3.5 Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van een groot deel van zijn schuldenlast, waaronder met name de belschulden aan KPN en Vodafone en de schuld aan Laser Services/PrimeLine, te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van het hof wist [appellant], althans had hij moeten weten, dat hij bij het aangaan van deze verplichtingen gelet op zijn toenmalige situatie - hij was inmiddels werkloos en had reeds aanzienlijke financiële verplichtingen - niet in staat zou zijn de aan die verplichtingen verbonden lasten te voldoen.
Het hof verwerpt de stelling van [appellant] - die daartoe onder meer verwezen heeft naar het ter zitting overgelegde rapport van [...] - dat de door hem in het verleden gemaakte foute keuzes voor het grootste deel zijn terug te voeren op de deplorabele psychische en somatische klachten die hij toen had en dat deze keuzes hem daarom niet mogen worden aangerekend, nu het betoog van [appellant] noch voornoemd rapport voor dat laatste voldoende aanknopingspunten biedt.
3.6 Nu van (andere) bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen onvoldoende is gebleken, faalt het hoger beroep en zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 29 oktober 2007.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Weij, Smeeïng-van Hees en Knottnerus en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2008.
Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de oudste raadsheer.