ECLI:NL:GHARN:2007:BC4989
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep kort geding
- Van Rossum
- Smeeïng-van Hees
- Van der Kwaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis: geen relatiebeding en geen onrechtmatige concurrentie door voormalig consultant
In deze zaak stond centraal of de voormalig consultant, geïntimeerde sub 1, onrechtmatig heeft gehandeld door relaties van AAB te benaderen, ondanks vermeende afspraken hierover. AAB stelde dat er een mondeling relatiebeding bestond dat de consultant belette om actief acquisitie te doen bij gemeenten en waterschappen, het marktsegment van AAB.
Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor het bestaan van een mondeling relatiebeding. De verklaringen en documenten konden dit niet aannemelijk maken. Ook werd overwogen dat, hoewel een ex-werknemer in principe vrij is om in concurrentie te treden, dit niet zonder meer geldt indien sprake is van onrechtmatige concurrentie met gebruik van vertrouwelijke informatie. In deze zaak was er echter geen arbeidsverhouding en onvoldoende bewijs dat de consultant stelselmatig relaties van AAB benaderde.
Verder stelde AAB dat de consultant tekort was geschoten in zijn verantwoordingsplicht als opdrachtnemer, maar ook hiervoor ontbrak voldoende bewijs. De voorzieningenrechter had terecht geoordeeld dat de financiële belangen van AAB voldoende beschermd werden door artikel 18 van Pro de Algemene Voorwaarden, die relaties verbiedt zonder toestemming rechtstreeks opdrachten te verlenen aan consultants van AAB.
Het hof verwierp alle grieven van AAB, bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde AAB in de kosten van het hoger beroep. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van AAB af wegens onvoldoende bewijs van relatiebeding en onrechtmatige concurrentie.