ECLI:NL:GHARN:2007:BB5072

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
3 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
VI 4/07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a SrArt. 15b SrArt. 15c SrArt. 27 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot achterwege laten vervroegde invrijheidstelling wegens vermeende mishandeling

De officier van justitie verzocht het gerechtshof Arnhem om de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde, die een gevangenisstraf van 40 maanden ondergaat, geheel of gedeeltelijk achterwege te laten op grond van een vermeende ernstige misdraging tijdens de detentie.

De grondslag van de vordering was een aangifte van poging tot zware mishandeling waarbij de veroordeelde de aangever met een vork in de schouder zou hebben gestoken. De veroordeelde erkende het steken, maar er was geen bewijs van daadwerkelijk letsel of pijn bij de aangever.

Het hof oordeelde dat op dit moment onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn dat de strafrechter later tot een veroordeling wegens mishandeling zal komen. Daarmee is geen sprake van een ernstige misdraging in de zin van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder c van het Wetboek van Strafrecht.

Op basis hiervan wees het hof de vordering van de officier van justitie af en besloot dat de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde niet geheel of gedeeltelijk achterwege hoeft te blijven.

Uitkomst: De vordering tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ernstige misdraging.

Uitspraak

VI-nummer: 04/07
Uitspraak: 3 oktober 2007
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van Pro de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 18 juli 2007 ingekomen vordering van de officier van justitie te Dordrecht van 16 juli 2007, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[VEROORDEELDE],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortdatum],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 19 september 2007 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr K. Wijnmalen, advocaat te Dordrecht, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling geheel toe te wijzen.
Overwegingen
Grondslag van de vordering
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 21 april 2006 (het hof begrijpt: 6 april 2006) van de rechtbank te Dordrecht opgelegde gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.
Ernstige misdraging
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.
Op 5 juni 2007 is door [aangever] aangifte gedaan van poging tot zware mishandeling. Veroordeelde zou [aangever] met opzet zodanig met een vork hebben gestoken dat [aangever] zwaar lichamelijk letsel op had kunnen lopen. Veroordeelde erkent dat hij [aangever] met een vork in zijn schouder heeft gestoken dan wel geprikt. [aangever] spreekt in zijn aangifte niet over enig pijn of letsel als gevolg van het handelen van veroordeelde. Ook anderszins is enig pijn of letsel bij [aangever] thans niet komen vast te staan.
In deze fase van het onderzoek is het hof daarom onvoldoende gebleken dat er een gerede kans is dat de strafrechter later oordelend tot een veroordeling terzake mishandeling zal komen. Het hof is van oordeel dat (met de thans voorhanden informatie) geen sprake is van een ernstige misdraging in de zin van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafrecht
Beoordeling van de vordering
Op grond van het bovenstaande acht het hof geen grond aanwezig voor het geheel dan wel gedeeltelijk achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde en dient de vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
- Wijst de vordering van de officier van justitie te Dordrecht af.
Aldus gewezen door:
mr H.G.W. Stikkelbroek, voorzitter
mrs J.I.M.W. Bartelds en F.J.H. Rutgers van der Loeff, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier
en op 3 oktober 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr F.J.H. Rutgers van der Loeff is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.