ECLI:NL:GHARN:2007:BB1546
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van Zutphen
- Mens
- Keulen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake verblijfplaats minderjarig kind in Tunesië
De vader verzocht de Nederlandse rechter te bepalen dat de gewone verblijfplaats van het kind bij hem in Nederland zou zijn. Het kind, met dubbele Nederlandse en Tunesische nationaliteit, verbleef sinds juli 2004 feitelijk in Tunesië bij de moeder. De rechtbank had eerder een beschikking gegeven, die het hof in hoger beroep vernietigde.
Het hof beoordeelde de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de hand van de Brussel II-Verordening, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 en de artikelen 1 tot en met 14 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Omdat het kind niet in Nederland of een andere EU-lidstaat woont en Tunesië geen verdragsstaat is, kon de Nederlandse rechter zich niet bevoegd verklaren.
Ook de geringe verbondenheid van de zaak met Nederland en het feit dat in Tunesië een echtscheidingsprocedure en voorlopige omgangsregeling lopen, leidde tot het oordeel dat de Nederlandse rechter het belang van het kind niet naar behoren kan beoordelen.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank en verklaarde zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd om van het verzoek van de vader kennis te nemen.