ECLI:NL:GHARN:2007:BA7378
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Melssen
- Garos
- Janse
- Rechtspraak.nl
Opheffing van faillissement wegens onvoldoende baten volgens artikel 16 Faillissementswet
Het gerechtshof Arnhem behandelde het hoger beroep van een B.V. tegen de opheffing van haar faillissement. De vennootschap stelde dat het faillissement niet opgeheven mocht worden omdat zij nog een herzieningsprocedure wilde starten en als procespartij wilde kunnen optreden. De curator stelde dat er geen baten zijn en dat het faillissement daarom opgeheven moet worden.
Het hof bekeek de ingediende faillissementsverslagen en constateerde dat er geen bewijs was dat de herzieningsprocedure was gestart. De vennootschap gaf aan dat zij nog wachtte op een toevoeging, waardoor de procedure nog niet was geïnitieerd. De schriftelijke toelichting van de vennootschap bleef uit, maar mondeling en via een pleitnotitie werd het standpunt toegelicht.
Het hof oordeelde dat er voldoende aannemelijk was dat er geen of onvoldoende baten aanwezig zijn in de zin van artikel 16 Faillissementswet Pro. De stelling van de vennootschap dat het faillissement niet mocht worden opgeheven vanwege het belang van het voortbestaan van de rechtspersoon werd verworpen, mede gelet op artikel 2:19 lid 4 en Pro 5 BW.
Daarom werd de beschikking tot opheffing van het faillissement bekrachtigd. De procedure werd beëindigd, mede omdat geen herzieningsprocedure was gestart en de curator bevestigde dat het faillissement moest eindigen.
Uitkomst: Het faillissement van de B.V. wordt opgeheven wegens het ontbreken van voldoende baten.