ECLI:NL:GHARN:2007:BA4900
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van der Kwaak
- Mannoury
- Smeeïng-van Hees
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid curator bij faillissementspauliana vordering
In deze zaak staat centraal of de curator ontvankelijk is in zijn vordering tot vernietiging van twee overeenkomsten op grond van faillissementspauliana, zoals bedoeld in artikel 42 van Pro de Faillissementswet. De curator had deze vordering ingesteld tegen [appellante], die zich verweerde door te stellen dat alle direct betrokken partijen in rechte moesten worden betrokken, op grond van de exceptio plurium litis consortium.
De rechtbank Zutphen had de curator ontvankelijk verklaard voor zover het ging om de overeenkomsten van 13 december 2002 en 21 maart 2003, maar niet voor de overeenkomst van 27 maart 2003, waarbij [appellante] geen partij was. In hoger beroep heeft het hof overwogen dat de aard van de faillissementspauliana vordering inhoudt dat de nietigheid slechts ten opzichte van de boedel intreedt en alleen voor zover crediteuren zijn benadeeld. Hierdoor hoeft de beslissing niet voor alle betrokken partijen hetzelfde te zijn.
Het hof verwierp het verweer van [appellante] dat de curator niet-ontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van alle betrokken partijen in het geding, mede omdat de curator ook een vordering tot betaling had ingesteld en daarmee voldoende belang had. Het bewijsaanbod van [appellante] werd gepasseerd wegens gebrek aan feiten die tot een ander oordeel konden leiden.
Het hoger beroep faalde en het hof bekrachtigde het tussenvonnis van de rechtbank Zutphen van 25 januari 2006. [appellante] werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De zaak werd verwezen naar de rechtbank voor verdere afhandeling.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de curator ontvankelijk in zijn vordering tegen [appellante].