ECLI:NL:GHARN:2007:BA3576

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
24 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
PIJ 2007\033
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Stikkelbroeck
  • Lensing
  • Van der Herberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77x SrArt. 77t SrArt. 5 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging maatregel plaatsing in inrichting voor jeugdigen wegens recidivegevaar

De zaak betreft het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2006, waarbij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen werd verlengd met 24 maanden. De maatregel was aanvankelijk op 26 augustus 2003 voorwaardelijk opgelegd op grond van artikel 77x Sr, maar op 27 april 2004 omgezet in een onvoorwaardelijke maatregel.

De raadsman voerde aan dat verlenging niet mogelijk was omdat de maatregel aanvankelijk voorwaardelijk was, maar het hof oordeelde dat dit niet opgaat nu de maatregel onvoorwaardelijk is geworden. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en besloot zelf tot verlenging van de maatregel.

Het hof baseerde zijn oordeel mede op nieuwe stukken en een getuige-deskundige verklaring, waarbij werd vastgesteld dat de agressieproblematiek en antisociale persoonlijkheidsontwikkeling van betrokkene nog actueel zijn. De kans op recidive wordt als reëel beschouwd. De verlenging met 24 maanden biedt betrokkene de mogelijkheid om via de Sociogroepsstrategie aan gedragsverandering te werken.

Het hof concludeert dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid, en tevens in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige.

Uitkomst: De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt verlengd met 24 maanden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
PIJ 2007\033
Beslissing d.d. 24 april 2007
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[PIJ-gestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [verblijfplaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 3 juli 2006, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van 24 maanden.
Overwegingen:
Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard.
De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, nu de maatregel aanvankelijk voorwaardelijk is opgelegd. Op grond van artikel 77t, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de onderhavige maatregel niet worden verlengd.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
De aanvankelijk, op 26 augustus 2003, op grond van artikel 77x van het Wetboek van Strafrecht in voorwaardelijke vorm opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is op 27 april 2004 omgezet in een onvoorwaardelijke maatregel. Nu de maatregel thans een onvoorwaardelijk karakter heeft, is artikel 77t, derde lid, derde volzin, niet van toepassing. De stelling van de raadsman vindt derhalve geen steun in het recht. Dientengevolge kan de onderhavige maatregel worden verlengd.
Het hof verwerpt het verweer.
Ambtshalve overweegt het hof het volgende. Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep negen maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.
In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist. Uit het verlengingsadvies volgt dat de agressieproblematiek van betrokkene een onderdeel vormt van de scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale zin. De persoonlijkheidsproblematiek is nog steeds actueel. De kans op recidive wordt op de middellange en lange termijn reëel geacht.
In [verblijfplaats] doet betrokkene goed mee met de aangeboden programmering. De inrichting ziet in het gedrag van betrokkene ook voor de komende tijd voldoende aandachtspunten om te kunnen werken aan een gedragsverandering middels de Sociogroepsstrategie. Een verlenging met twee jaar stelt betrokkene in de gelegenheid om het traject volledig te doorlopen en om zo te werken aan zijn aandachtspunten en het terugdringen van recidivegevaar.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat een verlenging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor een termijn van 24 maanden is geïndiceerd en dat een dergelijke verlenging in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige.
Beslissing:
Het hof:
Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 3 juli 2006 met betrekking tot de betrokkene.
Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van 24 (vierentwintig) maanden.
Aldus gedaan door
mr Stikkelbroeck als voorzitter,
mrs Lensing en Van der Herberg als raadsheren,
en drs Boon en dr Van Kordelaar als raden,
in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2007.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.