ECLI:NL:GHARN:2007:BA2594
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Smeeïng-van Hees
- Vaessen
- Spek
- Rechtspraak.nl
Beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn van schuldenaar
Appellant was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar tijdens de toelatingszitting verzweeg hij een aanzienlijke schuld van € 23.408,19 aan de gemeente wegens terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. Deze schuld ontstond door bedrijfsmatige activiteiten die appellant niet te goeder trouw heeft opgegeven.
De rechtbank beëindigde de regeling op grond van artikel 350 lid 3 onder Pro c Faillissementswet (Fw) vanwege het niet voldoen aan de informatieplicht. Appellant voerde aan dat hij de schuld niet bewust had verzwegen en dat miscommunicatie door taalproblemen een rol speelde. Tevens stelde hij dat hij geen beroep had ingesteld tegen de vordering van de gemeente op advies van zijn advocaat.
Het hof overweegt dat het verzwijgen van deze schuld voorafgaand aan en tijdens de toelatingszitting misbruik van de regeling oplevert. De schuld stond rechtens vast en bij bekendheid hiervan zou appellant niet zijn toegelaten tot de regeling. Het hof vernietigt de toepassing van artikel 352 lid 2 Fw Pro, waardoor appellant van rechtswege in staat van faillissement zal komen na het in kracht van gewijsde gaan van dit arrest.
Het hoger beroep faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd voor het oordeel dat de regeling tussentijds moet worden beëindigd. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor benoeming van een curator en rechter-commissaris in het faillissement van appellant.
Uitkomst: De wettelijke schuldsaneringsregeling van appellant wordt tussentijds beëindigd wegens niet te goeder trouw zijn, en appellant komt van rechtswege in staat van faillissement.