ECLI:NL:GHARN:2007:BA0443

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
15 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21-003058-06
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongeldigheid van ademanalyse door niet aangewezen opsporingsambtenaar

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem op 15 maart 2007 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de militaire politierechter in de rechtbank te Arnhem. De verdachte was beschuldigd van het rijden onder invloed van alcohol, waarbij een ademanalyse was afgenomen. De ademanalyse bleek echter te zijn verricht door een opsporingsambtenaar die niet overeenkomstig artikel 7, eerste lid van het Besluit alcoholonderzoeken was aangewezen door de korpschef. Dit leidde tot de vraag of de resultaten van de ademanalyse bruikbaar waren voor het bewijs van de tenlastegelegde overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof heeft vastgesteld dat de verbalisant, ondanks zijn opleiding, niet de juiste aanwijzing had om de ademanalyse uit te voeren. De advocaat-generaal betoogde dat de uitkomst van de ademanalyse toch bruikbaar was, omdat de verbalisant over het vereiste kennis- en vaardigheidsniveau beschikte. Het hof heeft echter geoordeeld dat de strikte waarborgen, zoals vastgelegd in de Wegenverkeerswet, niet waren nageleefd. Dit oordeel was in lijn met eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, die had vastgesteld dat het ontbreken van de juiste aanwijzing de geldigheid van het onderzoek in twijfel trok.

Uiteindelijk heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een geldig onderzoek zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet, waardoor de verdachte niet kon worden veroordeeld voor het rijden onder invloed.

Uitspraak

Parketnummer: 21-003058-06
Uitspraak d.d.: 15 maart 2007
TEGENSPRAAK
GERECHTSHOF TE ARNHEM
militaire kamer
ARREST
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire politierechter in de rechtbank te Arnhem van 30 juni 2006 in de strafzaak tegen
[verdachte],
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 maart 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 18 maart 2006, te [plaats], gemeente [gemeentenaam],
als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd,
na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn
adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder
a van de Wegenverkeerswet 1994, 665 microgram, in elk geval hoger dan 220
microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
In zijn brief d.d. 15 februari 2007 aan “de officier van justitie in het arrondissement Arnhem” heeft verdachte verzocht te “kijken wie bij (hem) de blaastest heeft afgenomen en of deze ook bevoegd was om een blaastest af te nemen”.
De ademanalyse is, zo blijkt uit het proces-verbaal, afgenomen door de verbalisant [naam], agent van politie, korps Friesland. Navraag vanwege de advocaat-generaal bij het politiekorps Friesland leverde als informatie op dat verbalisant [naam] als gevolg van “een administratieve omissie” niet overeenkomstig artikel 7, eerste lid van het Besluit alcoholonderzoeken is aangewezen voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat. Wel is de verbalisant [naam] in de periode tussen 1999 en 2006 opgeleid door een bevoegd kerninstructeur ademanalyse van het korps Friesland en zou hij, volgens de korpsjuriste, voldoen aan de kennis- en vaardigheidsvereisten.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat, ondanks dat de ademanalyse is afgenomen door een niet daartoe aangewezen opsporingsambtenaar, de uitkomst van die ademanalyse toch bruikbaar is voor het bewijs van het tenlastegelegde (overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994). Belangrijker dan het formele criterium van aangewezen zijn is, naar het oordeel van de advocaat-generaal, dat de verbalisant over het vereiste kennis- en vaardigheidsniveau beschikte.
Dat de verbalisant over het vereiste kennis- en vaardigheidsniveau beschikte zal het hof als uitgangspunt van zijn beoordeling nemen. Helemaal onproblematisch is deze aanname echter niet, nu verbalisant met miskenning van de feitelijke situatie (maar ongetwijfeld te goeder trouw en mede door het werken met vaste tekstblokken op het verkeerde been gezet) met zoveel woorden heeft gerelateerd dat hij een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit alcoholonderzoeken was. Dit zou enige twijfel kunnen wekken omtrent het kennisniveau van verbalisant.
Het hof verenigt zich desondanks niet met de zienswijze van de advocaat-generaal. In zijn arrest van 20 december 1994, NJ 1995, 403 heeft de Hoge Raad met zoveel woorden uitgemaakt dat het in artikel 7 Besluit alcoholonderzoeken vervatte voorschrift behoort tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid, sub a van de voormalige Wegenverkeerswet was omkleed. De tekst van artikel 26 WVW is -voor zover relevant- gelijkluidend aan die van het huidige artikel 8 WVW 1994 en ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn geen aanwijzingen te vinden, dat thans anders geoordeeld zou moeten worden. Meer in het bijzonder is dit ook niet af te leiden uit het door de Hoge Raad op 1 april 2003 gewezen arrest (NJ 2003, 304). Uit dit arrest is niet méér af te leiden dan dat het weigeren van medewerking aan een bevolen ademanalyse óók strafbaar is als het ademanalyse-apparaat zou worden bediend door een niet aangewezen opsporingsambtenaar, tenzij de weigering juist op dit gebrek is gegrond.
Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat in deze zaak niet sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder a van de Wegenverkeerswet 1994, zodat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr R. van den Heuvel, voorzitter,
mr A. van Waarden, lid, en commodore mr S. van Groningen, militair lid,
in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,
en op 15 maart 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Commodore mr S. van Groningen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.