Uitspraak
Emca Plant B.V.,
Gerechtshof Arnhem
In deze zaak stond de vastlegging van de duur van een pachtovereenkomst centraal. De pachtkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage had in eerste aanleg vastgesteld dat partijen een pachtovereenkomst waren overeengekomen voor de duur van één jaar met stilzwijgende verlenging van telkens één jaar. Emca Plant, appellante, voerde in hoger beroep aan dat dit neerkwam op een overeenkomst voor onbepaalde tijd en dat de overeenkomst op grond van artikel 12 lid 1 Pachtwet Pro een wettelijke duur van zes jaar moest hebben.
Het hof overwoog dat de taak van de pachtrechter in de vastleggingsprocedure is om zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen wat partijen zijn overeengekomen, en dat nietige bedingen zoveel mogelijk in overeenstemming met de wet en de bedoelingen van partijen moeten worden aangepast. Het door de pachtkamer vastgelegde beding over de duur was niet nietig en weerspiegelde de werkelijke afspraken tussen partijen.
Daarnaast bevestigde het hof dat, ondanks het falen van de grief, de pachtovereenkomst toch voor de wettelijke duur van zes jaar geldt. Dit volgt uit de beschikking van de Centrale Grondkamer, die oordeelde dat geen kortere duur dan de wettelijke zes jaar was overeengekomen. Het hof bekrachtigde daarom het bestreden vonnis en wees een proceskostenveroordeling tegen de geïntimeerde af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer waarin de duur van de pachtovereenkomst is vastgesteld als één jaar met stilzwijgende verlenging, waarbij de wettelijke duur van zes jaar geldt.