ECLI:NL:GHARN:2006:AY9776
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.W.P. Verheugt
- J.A.W. Lensing
- H.G.W. Stikkelbroeck
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot achterwege laten vervroegde invrijheidstelling na vrijspraak verkrachting
De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling van een veroordeelde die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden uitzit. De vordering is gebaseerd op het feit dat de veroordeelde zich tijdens regimair verlof zou hebben schuldig gemaakt aan verkrachting.
De veroordeelde werd echter door de rechtbank vrijgesproken van de verkrachting en slechts veroordeeld voor mishandeling. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld door het Openbaar Ministerie, dat nog moet beslissen of het hoger beroep wordt doorgezet. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting geconcludeerd de zaak aan te houden totdat het ressortsparket hierover een oordeel heeft gegeven.
De advocaat-generaal heeft tevens toegezegd de veroordeelde in vrijheid te stellen zodra de herberekende vervroegde invrijheidstellingsdatum is bereikt. Omdat de veroordeelde op het moment van behandeling van de vordering bij het hof reeds op vrije voeten zal zijn, oordeelt het hof dat de vordering van het OM geen belang meer heeft en wijst deze af.
Het hof baseert zich hierbij op artikel 15b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat voorschrijft dat de veroordeelde gedetineerd moet zijn op het moment van beslissing op de vordering. Gezien de omstandigheden acht het hof het niet nodig de zaak verder aan te houden en wijst de vordering af.
Uitkomst: De vordering tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling wordt afgewezen omdat de veroordeelde ten tijde van de beslissing niet meer gedetineerd zal zijn.