ECLI:NL:GHARN:2006:AY8731
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Makkink
- Van Loo
- Struycken
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij levering drooglegsystemen en plaats van levering
In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen van een Nederlandse vennootschap tegen een Oostenrijkse appellant over de levering van drooglegsystemen. De appellant betwistte de bevoegdheid van de Nederlandse rechtbank en stelde dat de plaats van levering in Oostenrijk lag, mede op grond van algemene voorwaarden en het toepasselijke CISG-verdrag.
De geïntimeerde vorderde betaling van €8.100.000 wegens niet geleverde drooglegsystemen en stelde daarnaast subsidiaire vorderingen wegens het plotseling afbreken van onderhandelingen en onrechtmatige daad. Het hof overwoog dat noch uit de overeenkomst, noch uit de feiten blijkt dat de levering in Nederland had moeten plaatsvinden, zodat de rechtbank niet bevoegd was op grond van artikel 5 lid 1 EEX Pro-verordening.
Ook de subsidiaire grondslagen boden geen aanknopingspunt voor bevoegdheid in Nederland, aangezien het schadebrengende feit zich niet in Nederland had voorgedaan. Het hof verklaarde appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het tussenvonnis en vernietigde het vonnis van 6 juli 2005, waarbij het de rechtbank onbevoegd verklaarde. De geïntimeerde werd veroordeeld in de kosten van beide instanties.
Uitkomst: De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen en appellant is niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het tussenvonnis.