ECLI:NL:GHARN:2006:AY7666

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
30 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
PIJ 2006\152
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vegter
  • Abbink
  • van der Herberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Statuut voor het Koninkrijk der NederlandenArt. 5 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging tenuitvoerlegging Antilliaanse maatregel terbeschikkingstelling in Nederland

Op 6 mei 2004 legde het gerecht van de Nederlandse Antillen aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling van de regering op. Het hof bevestigt dat deze maatregel in Nederland tenuitvoer kan worden gelegd op grond van artikel 40 van Pro het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij de Nederlandse wettelijke bepalingen voor tenuitvoerlegging in acht worden genomen.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse regels omtrent oplegging en verlenging van de maatregel niet van toepassing zijn op de tenuitvoerlegging van het Antilliaanse vonnis. Dit vonnis bevat een voortdurende titel tot vrijheidsbeneming tot het 21e levensjaar van betrokkene, waardoor verlengingsprocedures in Nederland niet nodig zijn.

De verdediging verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit 1994, maar het hof stelt dat de vordering tot verlenging niet kan worden gezien als een maatregel die geen uitstel kan lijden. Betrokkene behoudt het recht om de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming door de burgerlijke rechter te laten toetsen, conform artikel 5 EVRM Pro.

De beslissing van de rechtbank Zutphen van 4 mei 2006, die onbevoegdheid uitsprak om van de vordering kennis te nemen, wordt door het hof bevestigd met verbetering van gronden. Het hof benadrukt dat het niet haar taak is om via de Nederlandse wetgeving periodieke toetsing van de maatregel te regelen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de onbevoegdverklaring van de rechtbank om kennis te nemen van de vordering tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
PIJ 2006\152
Beslissing d.d. 30 augustus 2006
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [verblijfplaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Zutphen van 4 mei 2006, houdende onbevoegdverklaring om van de vordering van de officier van justitie kennis te nemen.
Overwegingen:
Op 6 mei 2004 heeft het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen de maatregel van terbeschikkingstelling van de regering aan betrokkene opgelegd. Artikel 40 van Pro het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden luidt:
Vonnissen, door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba gewezen, en bevelen, door hem uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke akten, aldaar verleden, kunnen in het gehele Koninkrijk ten uitvoer worden gelegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land, waar de tenuitvoerlegging plaats vindt.
Gelet op voormeld artikel 40 kan Pro het Antilliaanse vonnis in Nederland worden tenuitvoergelegd, zoals thans ook geschiedt. Deze tenuitvoerlegging dient te geschieden met inachtneming van de Nederlandse wettelijke bepalingen inzake de tenuitvoerlegging. Te denken valt daarbij in het bijzonder aan de regels vervat in Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Tot de Nederlandse voorschriften die bij tenuitvoerlegging in acht moeten worden genomen behoren naar het oordeel van het hof niet de bepalingen inzake de oplegging en verlenging van de maatregel. De tenuitvoerlegging in Nederland dient te geschieden met inachtneming van het Antilliaanse vonnis, waarin is bepaald dat de maatregel kan voortduren tot het eenentwintigste levensjaar van betrokkene. De regels over de verlenging van de terbeschikkingstelling zijn niet slechts aan te merken als regels inzake tenuitvoerlegging, maar de verlengingsregeling vormt de grondslag voor een rechtmatige vrijheidsbeneming. Na een beslissing tot verlenging door de rechter is er pas een titel voor verdere vrijheidsbeneming. Een voortdurende titel tot vrijheidsbeneming tot de leeftijd van eenentwintig jaar vormt in het onderhavige geval het Antilliaanse vonnis. Het gaat de rechtsvormende taak van het hof te boven om in periodieke toegang tot de rechter te voorzien door de regeling van verlenging van de maatregel van overeenkomstige toepassing te verklaren.
De raadsvrouw heeft gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 14 januari 1994, NJ 1994, 404. Daaruit leidt zij af dat ook in het onderhavige geval de rechter van de verblijfplaats van de minderjarige maatregelen kan nemen die geen uitstel kunnen lijden. De vordering tot verlenging van de maatregel kan echter mede in het licht van de bestaande en in het Antilliaanse vonnis vervatte voortdurende titel voor vrijheidsbeneming niet worden beschouwd als een maatregel die geen uitstel kan leiden. In het licht van artikel 5 van Pro het EVRM dient betrokkene in de gelegenheid te zijn om de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming door een rechter te laten toetsen. Betrokkene kan zich (om een voorlopige voorziening) wenden tot de burgerlijke rechter.
Gezien het vorenstaande moet het vonnis, waarvan beroep, worden bevestigd met verbetering van gronden.
Beslissing:
Het hof:
Bevestigt de beslissing van de rechtbank te Zutphen van 4 mei 2006 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde met verbetering van gronden.
Aldus gedaan door
mr Vegter als voorzitter,
mrs Abbink en van der Herberg als raadsheren,
en drs Poll en drs van Iersel als raden,
in tegenwoordigheid van van Ek als griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2006.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen