ECLI:NL:GHARN:2006:AY5685

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
25 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
TBS 2006\107
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vegter
  • Van der Herberg
  • Dik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509x SvArt. 5 EVRMArt. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling na afwijzing verzoek voorwaardelijke beëindiging TBS

Het gerechtshof Arnhem behandelde het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Groningen die het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling (TBS) had afgewezen en de TBS-maatregel met een jaar verlengd. Het hof oordeelde dat de behandeling van het beroep spoedig had plaatsgevonden conform het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Betrokkene bevindt zich in de fase van proefverlof, waarbij voorwaarden gelden waaronder het verbod op alcoholgebruik. Het hof constateerde dat betrokkene zich niet aan deze alcoholvoorwaarde had gehouden en dat hij recentelijk is gaan samenwonen met zijn vriendin, wat extra begeleiding en toezicht vereist. Ondanks positieve gedragsontwikkelingen acht het hof verdere stabilisering noodzakelijk.

Daarom wees het hof het verzoek tot aanhouding af om aanvullend onderzoek te verrichten en wees het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de TBS af. De terbeschikkingstelling werd met een jaar verlengd, waarbij het hof aangaf dat bij de volgende verlengingszitting opnieuw kan worden bezien of voorwaardelijke beëindiging mogelijk is.

Uitkomst: De terbeschikkingstelling wordt met een jaar verlengd en het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
TBS 2006\107
Beslissing d.d. 25 juli 2006
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [verblijfplaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Groningen van 15 februari 2006, houdende afwijzing van het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en omvat mede de beslissing van de rechtbank te Groningen van 12 oktober 2005 tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.
Overwegingen:
Het hof zal de beslissingen van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het hof recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken.
Zowel artikel 509x, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering als artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt eisen aan de voortgang van de behandeling door de rechter van een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Er dient door het hof zo spoedig mogelijk respectievelijk spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily") te worden beslist. Waar in beginsel de terbeschikkingstelling expireert op een ruimschoots tevoren bekende datum heeft zowel de rechtbank als het gerechtshof een verdragsrechtelijke verplichting om tot een zo spoedig mogelijke behandeling van de vordering tot verlenging over te gaan. Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden sprake is geweest.
Het verzoek tot aanhouding om aanvullend onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging wordt afgewezen. Betrokkene bevindt zich in de fase van proefverlof. Aan dit proefverlof zijn voorwaarden verbonden. Betrokkene heeft zich niet kunnen houden aan de voorwaarde omtrent het gebruik van alcohol. Tevens is ter zitting gebleken dat betrokkene sinds kort samenwoont met zijn vriendin. Het hof is van oordeel dat nog enige tijd nodig is om verdere stabilisering van het leven van betrokkene te realiseren. Het hof is van oordeel dat voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege – zoals ook kan blijken uit de hierna volgende overweging – thans nog niet aan de orde is.
In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Het hof onderkent de positieve ontwikkelingen in het gedrag van betrokkene. Sinds augustus 2004 heeft betrokkene proefverlof. De begeleiding verloopt naar wens en betrokkene komt zijn afspraken na. Gebleken is echter dat het sociale netwerk van betrokkene steeds kleiner wordt en dat hij tot tweemaal toe alcohol heeft genuttigd, terwijl dat niet was toegestaan. Bij het samenwonen van betrokkene en zijn vriendin wordt begeleiding en toezicht nog van belang geacht. Het traject dat nu is ingezet dient onder strikte begeleiding te worden voortgezet. Het hof kan zich evenwel voorstellen dat bij de volgende verlengingszitting, die reeds binnen enkele maanden zal zijn, de mogelijkheden om de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen opnieuw aan de orde zullen komen.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar is geïndiceerd, om te bezien of de positieve ontwikkelingen beklijven. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de termijn van de maatregel bij verlenging met een jaar medio oktober 2006 zal expireren.
Beslissing:
Het hof:
Vernietigt de beslissingen van de rechtbank te Groningen van 12 oktober 2005 en 15 februari 2006 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde,
Wijst af het verzoek tot aanhouding.
Wijst af het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.
Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.
Aldus gedaan door
mr Vegter als voorzitter,
mrs Van der Herberg en Dik als raadsheren,
en drs Boon en drs Harmsen als raden,
in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2006.
Mr Dik en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.