ECLI:NL:GHARN:2006:AV3008
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Wesseling-Lubbering
- De Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn
- Schaafsma-Beversluis
- Rechtspraak.nl
Gezagsregeling na beëindiging geregistreerd partnerschap van twee moeders en vaders
In deze zaak verzoeken twee biologische vaders, die samenwonen, gezamenlijk gezag over hun biologische kinderen. De rechtbank Zutphen kende dit gezag in 1998 toe aan de twee moeders die samenwoonden. In 2005 komen de vaders in hoger beroep tegen deze beschikking en verzoeken zij gezamenlijk gezag uit te oefenen met de moeder over de kinderen.
De moeders hebben hun geregistreerd partnerschap in 2005 beëindigd, waarna de kinderen deels bij de vaders en deels bij de moeders verbleven. De vaders hadden vanaf de geboorte met instemming van de moeder een wezenlijke rol in verzorging en opvoeding. Het hof oordeelt dat de vaders als belanghebbenden in de procedure moeten worden aangemerkt en dat hun hoger beroep tijdig is ingesteld, ondanks dat zij niet in eerste aanleg waren opgeroepen.
Het hof stelt vast dat het gezamenlijke gezag van de moeders sinds 1998 onbetwist is gebleven en dat de belangen van de kinderen niet worden verwaarloosd door voortzetting van dit gezag. Het verzoek van de vaders om gezamenlijk gezag wordt afgewezen omdat een zelfstandig verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en verklaart de vaders niet-ontvankelijk in hun verzoek.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en verklaart de vaders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot gezamenlijk gezag.