ECLI:NL:GHARN:2006:AV2208
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T.J. Matthijssen
- Rechtspraak.nl
Zeevarende heeft recht op zeedagenaftrek ondanks wachtgeldperiode in 2001
Belanghebbende was in 2001 werkzaam als zeevarende en ontving vanaf 21 november tot en met 31 december 2001 wachtgeld vanwege tijdelijk gebrek aan werk. De kern van het geschil was of hij in dat jaar voldeed aan het criterium van ten minste 180 dagen aan boord van een schip, zoals vereist voor de zeedagenaftrek in de Wet inkomstenbelasting 2001.
Het Gerechtshof Arnhem stelde vast dat belanghebbende in de jaren voorafgaand aan 2001 ruim aan de zeedagennorm had voldaan en dat het werkpatroon in 2001 door de wachtgeldperiode was gewijzigd. Het hof paste een herrekende dagennorm toe, waarbij de werkzame periode werd vastgesteld op 272 dagen, en concludeerde dat belanghebbende met 151 zeedagen aan het criterium voldeed.
Het hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat de zeedagenregeling discriminerend was, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en proceskosten toegewezen.
De uitspraak benadrukt dat het te verwachten arbeidspatroon bepalend is en dat een tijdelijke wachtgeldperiode niet automatisch uitsluiting van de aftrek betekent, mits aan de herrekende norm wordt voldaan.
Uitkomst: Belanghebbende heeft recht op zeedagenaftrek over 151 dagen in 2001 ondanks wachtgeldperiode.