ECLI:NL:GHARN:2006:AV2204

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
24 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03-02489
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.B.H. Röben
  • mr.dr. Van Amsterdam
  • mr. Kampschöer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 7.1 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 7.2 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 3.156 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om verklaring arbeidsrelatie afgewezen wegens buitenlandse belastingplicht

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, verzocht de Inspecteur om een verklaring arbeidsrelatie voor zijn timmerwerkzaamheden in Nederland. De Inspecteur wees dit verzoek af omdat belanghebbende geen binnenlands belastingplichtige is. Het bezwaarschrift tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard.

Het Gerechtshof Arnhem oordeelde dat inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie niet bepaalt of iemand binnenlands belastingplichtig is. Gezien de feiten en de wetgeving is vastgesteld dat belanghebbende in 2003 in Duitsland woonde en daarom niet binnenlands belastingplichtig was. De wet staat niet toe dat een verklaring arbeidsrelatie wordt afgegeven aan niet-inwoners.

De wetgever heeft dit beperkt vanwege praktische uitvoerbaarheid en de ruime beoordelingsvrijheid van de Inspecteur. De afwijzing van de verklaring laat de mogelijkheid tot bezwaar en beroep tegen inhouding of aanslag onverlet. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verklaring arbeidsrelatie wordt ongegrond verklaard omdat belanghebbende geen binnenlands belastingplichtige is.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
eerste meervoudige belastingkamer
nummer 03/02489
U i t s p r a a k
op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden beschikking.
1. Beschikking en bezwaar
1.1. Op 20 maart 2003 heeft de Inspecteur een schriftelijke aanvraag van belanghebbende ontvangen om een verklaring omtrent de vraag of de voordelen die hij geniet of zal gaan genieten uit arbeidsrelaties, te weten als ‘Timmerwerkzaamheden in de bouw’ omschreven werkzaamheden, worden aangemerkt als winst uit een onderneming, als loon of als resultaat uit overige werkzaamheden (de verklaring arbeidsrelatie). Bij beschikking van 28 maart 2003 heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen.
1.2. Het bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking is door de Inspecteur bij uit-spraak van 19 november 2003 ongegrond verklaard.
2. Geding voor het Hof
2.1. Het beroepschrift met bijlagen is ter griffie ontvangen op 16 december 2003.
2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin vermelde bijlagen.
2.3. Met schriftelijke toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarop is het onderzoek gesloten op de voet van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
3. Conclusies van partijen
3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep alsnog om afgifte van een verklaring arbeidsre-latie.
3.2. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot ongegrondverklaring van het beroep.
4. Vaststaande feiten
4.1. Belanghebbende is geboren op 25 januari 1959 en gehuwd. Hij en zijn echtgenote staan volgens de gegevens van de Inspecteur ingeschreven op het adres a-Strasse 39 te Q (Duitsland).
4.2. Blijkens uittreksel van 6 maart 2003 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken R is sedert 1 februari 2003 gevestigd op het adres b-straat 2, Z, de onderneming Montage X met als bedrijfsomschrijving ‘Timmerwerkzaamheden in de b & u’. De onderneming staat blijkens het uittreksel op naam van belanghebbende met als adres a-Strasse 39 te Q.
4.3. De gevraagde verklaring is belanghebbende geweigerd op de grond dat hij geen binnenlands belastingplichtige is.
5. Geschil en standpunten van partijen
5.1. Partijen houdt verdeeld, of belanghebbende de gevraagde verklaring terecht is geweigerd.
5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.
6. Beoordeling van het geschil
6.1. Anders dan belanghebbende kennelijk voorstaat, bepaalt de inschrijving in de ‘Burgerlijke Stand’ – kennelijk doelt hij op de gemeentelijke basisadministratie persoonsge-gevens – niet of iemand binnenlands of buitenlands belastingplichtig is.
6.2. Uit wat belanghebbende in bezwaar en beroep aanvoert, volgt niet dat hij binnenlands belastingplichtig is. Uit de gegevens die de Inspecteur in het verweerschrift onder 6, laatste alinea, vermeldt en die op zichzelf aannemelijk zijn te achten, leidt de Inspecteur gelet op artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen terecht af dat belanghebbende in 2003 niet in Nederland maar in Duitsland woonde.
6.3. Volgens artikel 7.1, aanhef en onderdeel a, in verbinding met artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) kan een niet-inwoner in Nederland alleen belast worden voor ‘winst uit een Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte hiervan dat, wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming)’. Uit de samenhang tussen die wetsbepaling en artikel 3.156 van de Wet leidt de Inspecteur terecht af, dat zolang niet zeker is of een niet-inwoner Nederlands inkomen geniet en daardoor buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, evenmin vaststaat dat hij binnenlands belastingplichtig is.
6.4. De zekerheid vooraf waarop artikel 3.156 van de Wet het oog heeft, kan door de Inspecteur niet worden verschaft aan iemand die niet in Nederland woonachtig is en wiens binnenlandse belastingplicht met betrekking tot in Nederland verrichte werkzaamheden vooralsnog niet vaststaat.
6.5. De wetgever heeft, mede in aanmerking genomen de hem toekomende ruime beoor-delingsvrijheid met het oog op de praktische uitvoerbaarheid van de betrokken regeling (waarbij de Inspecteur terecht wijst op het, keer op keer, in te stellen onderzoek naar het behaald zijn van winst uit een ‘Nederlandse onderneming als vorenbedoeld), in redelijkheid de mogelijkheid van een vooraf door de inspecteur af te geven verklaring arbeidsrelatie kunnen beperken tot binnenlands belastingplichtigen. Het niet afgeven van een verklaring arbeidsrelatie laat onverlet, dat de uiteindelijke beoordeling van de arbeidsrelatie aan de orde komt bij hetzij de inhouding en afdracht op aangifte van de loonheffing hetzij de vast-stelling van een belastingaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, tegen welke inhouding en afdracht – op de voet van artikel 24 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de tekst tot 1 januari 2005, sedertdien artikel 26, tweede lid – of belastingaanslag in volle omvang bezwaar en beroep openstaat. Het onderscheid met buitenlands belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen leidt ook niet tot disproportionele gevolgen.
7. Slotsom
Het beroep is ongegrond.
8. Kosten
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.
9. Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan te Arnhem op 24 januari 2006 door mr. Röben, voorzitter, mr.dr. Van Amsterdam en mr. Kampschöer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.
(W.J.N.M. Snoijink) (J.B.H. Röben)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 januari 2006
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Kazernestraat 52).
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.