ECLI:NL:GHARN:2006:AV1890
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- P.C. Vegter
- H.G.W. Stikkelbroeck
- A. Dik
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof wijst gedeeltelijk vordering tot achterwege laten vervroegde invrijheidstelling na ontvluchting
Veroordeelde is op 8 mei 2005 uit de penitentiaire inrichting Veenhuizen, locatie Esserheem, ontvlucht door samen met een medegedetineerde tralies door te zagen, een touwladder te maken en het bewegingsalarm van een hek door te knippen. De ontvluchting vond plaats uit een inrichting met een normaal beveiligingsniveau en ging gepaard met geweld tegen goederen.
De officier van justitie diende op 7 juli 2005 een vordering in tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling op grond van artikel 15a, eerste lid onder d van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging voerde aan dat de vordering niet onverwijld was ingediend en dat geen geweld tegen personen was gebruikt, waardoor de vordering volgens de beleidsaanwijzing van het College van Procureurs-Generaal niet toewijsbaar zou zijn.
Het hof oordeelt dat de vordering tijdig is ingediend en dat de beleidsaanwijzing niet uitsluit dat een vordering kan worden gedaan bij ontvluchting uit een normaal beveiligde inrichting, ook als het geweld betreft tegen goederen en niet tegen personen. Het hof acht de vordering gegrond en wijst deze gedeeltelijk toe, waarbij de vervroegde invrijheidstelling voor acht maanden wordt achterwege gelaten.
De beslissing is genomen met inachtneming van de aard van de ontvluchting, de duur van de achterwege te laten vervroegde invrijheidstelling bij de medegedetineerde en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde.
Uitkomst: De vervroegde invrijheidstelling wordt voor acht maanden achterwege gelaten wegens ontvluchting uit een normaal beveiligde inrichting met geweld tegen goederen.