ECLI:NL:GHARN:2006:AV0190
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rijken
- Smeeïng-van Hees
- Groen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling ondanks niet te verwijten boedelachterstand
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de tussentijdse beëindiging van zijn wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Arnhem. De regeling was aanvankelijk vastgesteld voor een periode van vier jaar met de verplichting om een boedelachterstand in te lopen.
Appellant voerde aan dat de boedelachterstand niet aan hem te wijten was, mede omdat hij sinds augustus 2003 onder bewind stond en zijn inkomen rechtstreeks naar de bewindvoerder ging. Ook stelde hij dat bij de berekening van de achterstand rekening moest worden gehouden met zijn gemiddelde inkomen en dat hij nog bedragen terug zou ontvangen die de achterstand deels konden compenseren.
Het hof stelde vast dat de boedelachterstand vooral was ontstaan in de periode voorafgaand aan de bewindstelling en dat appellant ondanks de extra kans die hem was gegeven de achterstand niet had ingelopen. Dit leidde tot het oordeel dat appellant toerekenbaar tekort was geschoten in zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.
Het hof oordeelde dat het niet kunnen benutten van de kans om de achterstand in te lopen onvoldoende reden was om de regeling voort te zetten. Ook de dreiging van faillissement bij beëindiging van de regeling was geen reden tot anders beslissen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet ingelopen boedelachterstand.