ECLI:NL:GHARN:2005:AV0993
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Vegter
- Lensing
- Dik
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof wijst deels toe vordering tot achterwege laten vervroegde invrijheidstelling wegens ernstig misdragen
Veroordeelde werd op 25 maart 2004 aangehouden en is door de rechtbank Amsterdam op 26 oktober 2004 onherroepelijk veroordeeld tot 5 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor overtredingen van de Opiumwet. De officier van justitie diende op 12 januari 2005 een vordering in tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling, gebaseerd op ernstig misdragen van veroordeelde na aanvang van de strafuitvoering.
De raadsman voerde aan dat de vordering niet onverwijld was ingediend en dat de rechtbank bij de eerdere zitting niet op de hoogte was van deze vordering, wat nadelig was voor veroordeelde. Het hof erkende dat de indiening niet onverwijld was, maar vond dit niet voldoende reden voor volledige afwijzing of matiging van de duur van het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling.
Het hof nam ook de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde mee in haar overwegingen. Uiteindelijk wees het hof de vordering gedeeltelijk toe en bepaalde dat de vervroegde invrijheidstelling voor een deel van één jaar achterwege zal blijven.
De beslissing is genomen op basis van artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het ernstig misdragen tijdens detentie en de nieuwe veroordeling zwaar wogen in het oordeel van het hof.
Uitkomst: De vervroegde invrijheidstelling wordt voor een deel van één jaar achterwege gelaten wegens ernstig misdragen tijdens detentie.