ECLI:NL:GHARN:2005:AV0989

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
VI 04-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vegter
  • Dik
  • Coumans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a SrArt. 15b SrArt. 15c SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 2 Opiumwet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot achterwege laten vervroegde invrijheidstelling wegens ernstige misdragingen

De veroordeelde werd op 25 oktober 2004 aangehouden wegens overtreding van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet en veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf. Het openbaar ministerie verzocht het hof om de vervroegde invrijheidstelling achterwege te laten, omdat de veroordeelde zich tijdens de detentie ernstig had misdragen en zich aan de tenuitvoerlegging van de straf had onttrokken.

De raadsvrouw van de veroordeelde voerde verweren aan tegen de ontvankelijkheid van de vordering en stelde dat de vervroegde invrijheidstelling hoogstens met drie maanden mocht worden uitgesteld. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de vordering onverwijld was ingediend en dat het niet melden van de vordering aan de rechtbank geen reden was voor niet-ontvankelijkheid.

Het hof nam de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten in aanmerking en besloot dat de vervroegde invrijheidstelling voor een deel van negen maanden achterwege blijft. Het verzoek tot aanhouding van de behandeling werd afgewezen omdat het hof voldoende informatie had om een zelfstandig oordeel te vormen.

Uitkomst: De vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde wordt voor negen maanden achterwege gelaten wegens ernstige misdragingen.

Uitspraak

VI-nummer: 04-05
Uitspraak: 13 april 2005
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van Pro de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 13 januari 2005 ingekomen vordering van de officier van justitie te Amsterdam van 12 januari 2005, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[VEROORDEELDE]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 30 maart 2005 gehoord de veroordeelde en de raadsvrouw van veroordeelde, mr B.L.M. Ficq, advocaat te Amsterdam, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling toe te wijzen.
Overwegingen
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 20 februari 2002 van de rechtbank te Amsterdam opgelegde gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht en dat veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan heeft onttrokken, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub d van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.
Veroordeelde is op 25 oktober 2004 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie. Blijkens het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2004 is veroordeelde inmiddels onder meer ter zake van bovengenoemd feit en overtreding van artikel 2 van Pro de Opiumwet schuldig bevonden en onder meer veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering niet onverwijld is ingediend.
Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt. Op 25 oktober 2004 is veroordeelde aangehouden ter zake van artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie. Veroordeelde is op 28 oktober 2004 in verzekering gesteld. De rechter-commissaris heeft op 28 oktober 2004 de inbewaringstelling bevolen. Op 12 januari 2005 is de vordering tot het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling ingediend. Naar het oordeel van het hof is de vordering onverwijld ingediend, zoals voorgeschreven bij artikel 15a, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Tevens heeft de raadsvrouw betoogd dat het openbaar ministerie op een andere grond niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ter terechtzitting op 28 januari 2005 aan de rechtbank 's-Gravenhage niet gemeld heeft dat de vordering tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling was ingediend. Hierdoor zijn volgens haar de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden.
Het hof verwerpt het verweer. Voor zover de officier van justitie al op de hoogte is geweest van de ingediende vordering tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling, kan dit verzuim niet tot de verregaande sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie leiden.
Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten, zijnde overtreding van artikel 26 van Pro de wet wapens en munitie en overtreding van artikel 2 van Pro de Opiumwet, zeer ernstige misdragingen vormen in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de vervroegde invrijheidstelling hoogstens dient te worden uitgesteld tot een tijdstip, gelegen drie maanden na de geplande datum van vervroegde invrijheidstelling. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het volledig achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling, mede gelet op het geringe zicht op het beleid van het openbaar ministerie, disproportioneel is. Indien het hof zou overwegen de
vervroegde invrijheidstelling met meer dan drie maanden uit te stellen, verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde meer informatie te verkrijgen omtrent het verloop van de thans lopende strafzaak tegen veroordeelde.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Per 1 mei 2003 is een Aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal in werking getreden inzake de vorderingen achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling ex artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof kan er thans van uitgaan dat het openbaar ministerie een beleid voert dat gegrond is op de per 31 mei 2003 in werking getreden aanwijzing. Het hof is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel, dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde voor een groter deel dan drie maanden achterwege blijft. Het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen, aangezien het hof zich voldoende voorgelicht acht om tot een zelfstandig oordeel te komen met betrekking tot de duur van het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling.
Het hof zal de vordering van de officier deels toewijzen, als na te melden.
Bij het vaststellen van de duur van het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, heeft het hof voorts in aanmerking genomen de duur van de door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 11 februari 2005 opgelegde straf alsmede de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de officier van justitie te 's-Gravenhage en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde achterwege zal worden
gelaten voor een deel van negen (9) maanden.
Aldus gewezen door:
mr Vegter, voorzitter
mrs Dik en Coumans, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr Van Ek, griffier
en op 13 april 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.