ECLI:NL:GHARN:2005:AS4192

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
6 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-00762
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.76 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen ondernemerschap voor thuiszorgverpleegkundige met beperkt aantal opdrachtgevers

Belanghebbende, een verpleegkundige werkzaam in de thuiszorg, verrichtte haar werkzaamheden na het faillissement van haar werkgever op uurbasis. In 2002 realiseerde zij haar inkomsten vrijwel uitsluitend uit zorgverlening aan één echtpaar. Het hof concludeerde dat door het zeer beperkte aantal opdrachtgevers en het feit dat bijna alle opbrengsten uit werkzaamheden voor één opdrachtgever kwamen, niet werd voldaan aan de vereiste zelfstandigheid om als ondernemer te worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting.

De inspecteur had de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek terecht niet toegekend, omdat belanghebbende niet als ondernemer kon worden beschouwd. Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 werd ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof wees op eerdere zaken waarin bleek dat belanghebbende ook in voorgaande jaren vrijwel uitsluitend voor hetzelfde echtpaar werkte. Er was geen sprake van een significante uitbreiding van opdrachtgevers na 2002. De uitspraak bevestigt dat het aantal en de spreiding van opdrachtgevers een belangrijke factor is bij de beoordeling van ondernemerschap in de inkomstenbelasting.

De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Arnhem op 6 januari 2005, waarbij belanghebbende en de inspecteur aanwezig waren. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van de schriftelijke uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2002 wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 04/00762
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/[P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 2002
onderzoek ter zitting : op 23 december 2004 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbende en [haar gemachtigde, alsmede de Inspecteur]
gronden:
1. Belanghebbende, geboren in 1937, was tot en met februari 2000 als verpleegkundige in loondienst werkzaam voor [A] B.V. te [Q].
2. Na het faillissement van de B.V. is belanghebbende op uurtarief zorg blijven verlenen. In het onderhavige jaar heeft zij € 17.228,29 gedeclareerd (waarin begrepen € 481,24 aan reiskosten).
3. De declaraties hebben uitsluitend betrekking op de verzorging van de heer en mevrouw [B].
4. Belanghebbende realiseerde haar opbrengsten uit de door haar verleende zorg in 2002 uitsluitend uit werkzaamheden verricht voor het echtpaar [B]. Aan dit echtpaar verleende zij ook zorg in 2000 en 2001. Daarnaast heeft zij in 2000 twee andere opdrachten aanvaard en in 2001 slechts één. Uit de gelijktijdig met de onderhavige zaak ter zitting behandelde zaak betreffende de belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde aanslag is het hof bekend dat belanghebbende haar opbrengsten uit verleende zorg in dat jaar voor meer dan 95% realiseerde uit werkzaamheden ten behoeve van het echtpaar [B]. Het is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende in enig jaar na 2002 in betekenende mate meer opdrachtgevers had.
5. Het hof is gelet op het zeer beperkte aantal opdrachtgevers en de omstandigheid dat belanghebbendes opbrengst uit de door haar verleende zorg geheel afkomstig is van werkzaamheden verricht voor één echtpaar, van oordeel dat zij niet met de voor de aanwezigheid van een onderneming vereiste mate van zelfstandigheid heeft deelgenomen aan het economisch verkeer.
6. Het standpunt van de inspecteur inhoudende dat ten onrechte zelfstandigenaftrek is verleend en dus geen aanspraak bestaat op de verhoging daarvan ingevolge artikel 3.76, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de zogenaamde ‘startersaftrek’) is derhalve juist. De aanslag is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.
7. Het beroep is ongegrond. Dit brengt mee dat het verzoek tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
kosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het gerechtshof:
- verklaart het beroep ongegrond;
- verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schadevergoeding.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2005 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. D.N.N. Jansen als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van voormelde kamer,
(D.N.N. Jansen) (F.J.P.M. Haas)
Afschriften aangetekend per post verzonden op: 17 januari 2005
Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303 2500 EH ‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval kan de indiener van het beroepschrift de gronden van het beroep verstrekken of aanvullen tot zes weken na de dag waarop de schriftelijke uitspraak aan hem is verzonden.
In het cassatieberoepschrift kan verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.