ECLI:NL:GHARN:2004:AR8423
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Wammes
- Van Ginkel
- Mens
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter tot vervangende toestemming paspoortaanvraag onder toezicht gestelde kinderen
In deze zaak is het geschil ontstaan over de bevoegdheid tot het verlenen van vervangende toestemming voor de aanvraag van paspoorten voor onder toezicht gestelde minderjarige kinderen. De moeder oefent het gezag uit over de kinderen, en Bureau Jeugdzorg (BJO) had bij de kinderrechter een verklaring van toestemming gevraagd voor de paspoortaanvraag van twee van deze kinderen, die onder toezicht zijn gesteld en in een pleeggezin verblijven.
De kinderrechter had deze verklaring van toestemming verleend, maar de ouders kwamen hiertegen in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de vader niet-ontvankelijk was omdat hij geen gezag uitoefent. De moeder stelde dat het vervallen van artikel 36 van Pro de Paspoortwet (oud) met ingang van 1 april 2001 niet heeft geleid tot een leemte in de wet die de rechter bevoegdheid zou geven tot vervangende toestemming.
BJO verweerde zich met een brief van de minister van Justitie uit 2002, waarin werd erkend dat een leemte was ontstaan door het vervallen van artikel 36 Ppw Pro (oud), en dat het in het belang van de kinderen is dat zij met pleegouders mee kunnen op vakantie. Het hof oordeelde echter dat het vervallen van artikel 36 Ppw Pro (oud) geen niet door de wetgever voorziene leemte heeft gecreëerd en dat de beslissingsbevoegdheid tot het afgeven van verklaringen van toestemming bij de met gezag belaste persoon blijft. Hoewel benoeming van een bijzonder curator volgens artikel 1:250 BW Pro mogelijk uitkomst kan bieden, biedt de Paspoortwet zelf geen voorziening voor vervangende toestemming door de rechter.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de kinderrechter en wees het verzoek van BJO af.
Uitkomst: Het hof vernietigde de beschikking van de kinderrechter en wees het verzoek van BJO om vervangende toestemming voor paspoortaanvraag af.