ECLI:NL:GHARN:2004:AR7243

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
11 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-00041
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.145 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijs geleverd voor beperkt privégebruik auto van de zaak ondanks ontbreken rittenadministratie

Belanghebbende, een ambtenaar, kreeg in 2002 een Renault van zijn werkgever ter beschikking gesteld. Volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt een bijtelling van ten minste 25% van de waarde van de auto voor privégebruik, tenzij kan worden aangetoond dat het privégebruik niet meer dan 500 kilometer per jaar bedraagt.

Belanghebbende had geen rittenadministratie bijgehouden, maar voerde aan dat hij de Renault slechts op vijf dagen privé gebruikte voor in totaal 350 kilometer, omdat hij de voorkeur gaf aan een eigen Volvo met gasinstallatie. Ook verklaarde hij dat zijn werkgever geen bezwaar had tegen dit beperkte privégebruik, ondanks een contractuele bepaling die privégebruik verbood.

Het hof achtte de verklaring van belanghebbende geloofwaardig en vond dat het bewijs van beperkt privégebruik was geleverd. De aanslag werd daarom verminderd tot een belastbaar inkomen van € 41.195. De uitspraak van de inspecteur werd vernietigd en het betaalde griffierecht aan belanghebbende werd vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag wordt verminderd wegens bewezen beperkt privégebruik van de auto van de zaak.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 04/00041
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar tegen aanslag
belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 2002
mondelinge behandeling : op 29 oktober 2004 te Zwolle
waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede [de inspecteur]
gronden:
1. In het onderhavige jaar is belanghebbende door zijn werkgever in verband met het verrichten van zijn arbeid een personenauto van het merk Renault ter beschikking gesteld (hierna: de Renault).
2. Ingevolge artikel 3.145, eerste lid, eerste volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto (het zogenaamde ‘autokostenforfait’). Op grond van de tweede volzin van deze wetsbepaling wordt de auto in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
3. Het bewijs dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt kan worden geleverd door middel van een rittenadministratie of anderszins (artikel 3.145, derde lid, van gemelde wet).
4. De omstreden aanslag is overeenkomstig de door belanghebbende gedane aangifte vastgesteld met inachtneming van een autokostenforfait ter zake van het gebruik voor privé-doeleinden van de Renault van € 5.500. Belanghebbende neemt nader het standpunt in dat hij de Renault niet voor meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt en dat bijtelling van het autokostenforfait derhalve achterwege dient te blijven.
5. Belanghebbende heeft geen rittenadministratie bijgehouden.
6. Ter voldoening van de op hem rustende bewijslast inzake het privé-gebruik wijst belanghebbende in de van hem afkomstige stukken op de omstandigheden dat hij ook beschikt over een hem in eigendom toebehorende auto (een Volvo) en dat in 2001 het arbeidscontract met zijn werkgever is aangevuld met een bepaling luidende: “Tevens zal er in tegenstelling tot voorheen een auto ter beschikking worden gesteld op geel kenteken. Aangezien er in overleg voor gekozen is om geen privé-gebruik te maken van deze auto, zal er per geconstateerd feit een boete van € 500,- in rekening worden gebracht aan de werknemer”.
7. Bij de mondelinge behandeling heeft belanghebbende onder meer verklaard (zakelijk weergegeven):
- dat hij in 2002 - mede in verband met het bezoek aan beurzen zes en soms zeven dagen per week werkte en dat hij in zijn vrije tijd dan ook weinig behoefte aan autorijden had,
- dat hij privé-gebruik van de Renault te duur vond en gebruik van de Volvo prefereerde omdat deze voorzien was van een gasinstallatie en dus goedkoop reed, bovendien heeft de Volvo voor hem emotionele waarde omdat deze reeds van zijn grootvader en vader was geweest, en
- dat hij de Renault - overeenkomstig het door hem ter zitting overgelegde overzicht - in 2002 op vijf dagen voor in totaal slechts 350 km privé heeft gebruikt omdat de Volvo het op die dagen niet deed, en dat zijn werkgever in weerwil van de onder 6. vermelde contractuele bepaling geen probleem had met dit beperkte privé-gebruik.
8. De twee onder 6. vermelde omstandigheden leveren op zichzelf (nog) niet het van belanghebbende verlangde bewijs te doen blijken (dat wil zeggen: op overtuigende wijze aantonen) dat hij de Renault voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt.
Combinatie van deze omstandigheden met hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, hetgeen het hof geloofwaardig acht, heeft echter bij het hof de overtuiging doen ontstaan en aldus heeft belanghebbende het verlangde bewijs wel geleverd dat de Renault in 2002 niet voor meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.
Hieraan doet de discrepantie tussen de onder 6. gemelde contractuele bepaling (inhoudende dat geen enkel privé-gebruik was toegestaan) en de verklaring van belanghebbende dat hij in 2002 met de Renault 350 km privé heeft gereden, niet af. In de visie van het hof draagt de omstandigheid dat belanghebbende dit privé-gebruik zelf heeft aangevoerd juist bij aan de geloofwaardigheid van zijn ter zitting afgelegde verklaringen.
9. Het beroep is gegrond. Belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning dient met € 5.500 te worden verminderd tot € 41.195.
proceskosten:
In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het gerechtshof:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.195 en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;
- gelast de Staat, voor zover vergoeding niet reeds heeft plaatsgevonden, aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 31 te vergoeden.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2004 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. D.N.N. Jansen als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van voormelde kamer,
(D.N.N. Jansen) (F.J.P.M. Haas)
Afschriften aangetekend per post verzonden op: 16 november 2004
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.