ECLI:NL:GHARN:2004:AR1937
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van den Heuvel
- Meijer
- Winters
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ongeschiktheid locatie voor naaktrecreatie
Verdachte werd beschuldigd van het zich ongekleed bevinden op het Almeerderzand, een locatie die niet door de gemeenteraad was aangewezen voor naaktrecreatie en die als een voor het openbaar verkeer bestemde plaats werd beschouwd. De kern van de zaak was of deze locatie ook ongeschikt was voor naaktrecreatie, wat bewezen moest worden om tot een veroordeling te komen.
De wetsgeschiedenis van artikel 430a Sr maakt duidelijk dat het enkel feit dat een aanpalend gebied wel is aangewezen voor naaktrecreatie onvoldoende is om te concluderen dat de betreffende locatie ongeschikt is. De bewijslast hiervoor ligt bij het openbaar ministerie, maar het hof vond het bewijs in dit dossier onvoldoende om te concluderen dat het Almeerderzand ongeschikt was.
Na beoordeling van de wetsgeschiedenis, parlementaire stukken en het bewijs sprak het hof verdachte vrij. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld, waarbij het hof tot de conclusie kwam dat het bewijs ontbrak om verdachte te veroordelen.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering omtrent de geschiktheid van locaties voor naaktrecreatie en bevestigt dat deze beoordeling aan de strafrechter toekomt, niet aan de gemeenteraad. Hierdoor blijft de strafbaarheid van naaktrecreatie op openbare plaatsen afhankelijk van een strikte bewijsstandaard.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de locatie ongeschikt was voor naaktrecreatie.