ECLI:NL:GHARN:2004:AQ5255
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.C.M. de Kroon
- A.M. van Amsterdam
- Tj. Van Rij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering uitstelfaciliteit bij vruchtgebruik aandelen in successierecht
Belanghebbende verkreeg samen met zijn broer het vruchtgebruik van aandelen in een besloten vennootschap uit de nalatenschap van hun vader. Hij verzocht om toepassing van de uitstelfaciliteit op grond van artikel 25, lid 9, letter b, van de Invorderingswet 1990, welke werd geweigerd door de Ontvanger. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof.
Het geschil betrof de vraag of het vruchtgebruik van de aandelen kon worden gelijkgesteld aan een niet-tijdelijke gerechtigdheid tot voordelen uit aandelen, waardoor de uitstelfaciliteit zou kunnen worden toegepast. Het Hof stelde vast dat het vruchtgebruik kwalificeert als een tijdelijke gerechtigdheid, zoals omschreven in artikel 25, lid 15, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof overwoog dat de wetgever bewust onderscheid maakt tussen tijdelijke en niet-tijdelijke gerechtigdheden en dat de uitstelfaciliteit alleen ziet op aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren. Het verzoek tot uitstel werd daarom terecht geweigerd. De rechter mag de wet niet buiten toepassing laten op grond van billijkheid of doel en strekking.
De uitspraak bevestigt dat de wetgever de betalingsfaciliteit niet noodzakelijk acht in gevallen van tijdelijke gerechtigdheid tot voordelen uit aandelen, ook al leidt dit mogelijk tot liquiditeitsproblemen bij voortzetting van de onderneming. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de uitstelfaciliteit is ongegrond verklaard omdat het vruchtgebruik niet kwalificeert als aanmerkelijk belang.