ECLI:NL:GHARN:2004:AP0271

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
11 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2004/87
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Houtman
  • Smeeïng-Van Hees
  • Röben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 295 FwArt. 350 Fw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging schuldsaneringsregeling tot maximale duur in belang schuldeisers

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle waarin de looptijd van zijn schuldsaneringsregeling werd verlengd tot 7 december 2004. De rechtbank had eerder het saneringsplan vastgesteld en gewijzigd. De rechter-commissaris had voorgesteld de looptijd te verlengen omdat verwacht werd dat er nog een belangwekkend actief aan de boedel zou toevloeien vanwege schade geleden door appellant door onrechtmatig handelen van zijn voormalig curator.

Appellant verzocht om een kortere verlengingstermijn met een bijzondere voorwaarde dat aan de partij Nijhuis de gevraagde informatie zou worden verstrekt om een minnelijke regeling te bevorderen. Hij maakte de bewindvoerder verwijten over het niet verstrekken van informatie, wat volgens appellant vertraging veroorzaakte.

Het hof oordeelde dat het in het belang van de schuldeisers is dat alle te verwachten baten worden gerealiseerd en dat een korte termijn verlenging niet aangewezen is omdat dit de bewindvoerder zou beperken. Het hof wees erop dat de regeling op grond van artikel 350 Fw Pro eerder kan worden beëindigd indien een regeling eerder tot stand komt.

Het hoger beroep werd als ongegrond verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. De verlenging van de schuldsaneringsregeling tot de maximale duur van vijf jaar blijft gehandhaafd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de schuldsaneringsregeling tot 7 december 2004 in het belang van de schuldeisers.

Uitspraak

11 maart 2004
eerste civiele kamer
rekestnummer 2004/87
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellant],
wonende te Duiven,
appellant,
procureur: mr. J.M. Bosnak.
1 Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Zwolle van 7 december 1999 is de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]) en bij vonnis van de rechtbank te Zwolle van 5 januari 2000 is de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsanerings-regeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.B. Werkhoven en tot bewindvoerder mr. G.J. Koers.
1.2 Op 28 juni 2000 heeft [appellant] een ontwerp-saneringsplan bij de
rechtbank ingediend. De rechtbank heeft dit saneringsplan bij vonnis van 27 juli 2000 vastgesteld. Bij beslissingen van 10 december 2002 en 29 april 2003 is het saneringsplan gewijzigd.
1.3 De rechter-commissaris heeft bij voordracht van 22 januari 2004 voorgesteld
om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen tot 7 december 2004.
1.4 Bij vonnis van de rechtbank te Zwolle van 30 januari 2004 is het vastgestelde
saneringsplan aldus gewijzigd dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd tot 7 december 2004 en is de eerdere beslissing dat het nominale bedrag ex artikel 295 Fw Pro wordt vastgesteld op het inkomen van [appellant], verminderd met de geldende maandelijkse afdrachtverplichting voor het salaris van de bewindvoerder, gehandhaafd.
Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 6 februari 2004 per fax en op 9 februari 2004 per gewone post ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling te verlengen tot 1 mei 2004 en daaraan de bijzondere voorwaarde te verbinden dat aan partij Nijhuis de gevraagde informatie zal worden verstrekt en vervolgens zal worden getracht een integrale schikking te bereiken, danwel indien zulks niet mogelijk mocht blijken, een deelschikking zonder finale kwijting.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken,
alsmede van een brief met bijlagen van 20 februari 2004 van de procureur van [appellant], een fax met bijlagen van 2 maart 2004 van de bewindvoerder, een brief met bijlagen van 2 maart 2004 van mr. Velsink alsmede een fax met bijlagen van 3 maart 2004 van mr. Velsink.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2004, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Velsink voornoemd. Voorts is verschenen de bewindvoerder voornoemd.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 Op voordracht van de rechter-commissaris is de looptijd van de schuldsane-
ringsregeling verlengd tot 7 december 2004 omdat verwacht mag worden dat aan de boedel nog een belangwekkend actief zal toevloeien vanwege door [appellant] geleden schade, veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van zijn voormalig curator.
3.3 [appellant] verzoekt om een voorlopig kortere duur van de verlenging van
de schuldsaneringsregeling omdat er sedert het wijzen van het arrest van het hof van 18 februari 2003 een jaar is verstreken zonder dat de schikkingshandelingen erg zijn opgeschoten. [appellant] maakt de bewindvoerder daarbij het verwijt dat hij de door de verzekeraar van Nijhuis gevraagde informatie omtrent de boedel en de schade niet verstrekt. [appellant] is van mening dat zolang deze gegevens niet zijn verstrekt de verzekeringsmaatschappij onvoldoende is geinformeerd om over een minnelijke regeling te kunnen beslissen. [appellant] vreest voor nog een jaar vertraging indien thans geen concrete afspraken worden gemaakt over de te volgen weg. Volgens hem zijn onder de gegeven omstandigheden het belang van zowel de schuldeisers als van hemzelf het beste gediend met een verlenging van het saneringsplan voor een kortere duur met een daaraan te verbinden bijzondere voorwaarde.
3.4 Het hof overweegt het volgende. Het is in het belang van de schuldeisers dat
ten behoeve van de boedel alle te verwachten baten worden gerealiseerd. Gelet op het feit dat het niet eenvoudig is gebleken om een regeling met de verzekeringsmaat-schappij te treffen, is een verlenging van de schuldsaneringsregeling met de door [appellant] gevraagde korte termijn, niet aangewezen. Indien het hof een kortere termijn stelt, kan dit de mogelijkheden van de bewindvoerder beperken door tijdsdruk, hetgeen onwenselijk is. Het voorgaande neemt niet weg dat de schuldsanerings-regeling, op grond van artikel 350 Faillissementswet Pro, eerder kan worden beëindigd indien er vóór 7 december 2004 een regeling tot stand is gekomen.
3.5 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 30 januari 2004.
Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Smeeïng-Van Hees en Röben en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2004.