ECLI:NL:GHARN:2004:AO3341

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
23 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
21-002982-03
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dee
  • Van Kuijck
  • Barels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 177 Wegenverkeerswet 1994Art. 178 Wegenverkeerswet 1994Art. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens afwezigheid van schuld door cerebrale doorbloedingstoornis bij verkeersongeval

De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met een ernstige verkeersongevalzaak waarbij hem primair schuld werd verweten. Uit het onderzoek bleek dat het ongeval plaatsvond onder normale omstandigheden op een weg die verdachte goed kende. Technisch onderzoek toonde aan dat verdachte niet geremd had en dat zijn voertuig in goede staat verkeerde. Verdachte verklaarde een black-out te hebben gehad.

Een neuroloog, gehoord als deskundige, stelde vast dat verdachte ten tijde van het ongeval waarschijnlijk een cerebrale doorbloedingstoornis had, wat leidde tot een korte periode van bewustzijnsverlies. Dit verklaarde het verlies van controle over het stuur en het ongeval.

Het hof oordeelde dat niet bewezen kon worden dat het ongeval aan schuld van verdachte te wijten was en sprak hem vrij van het primair ten laste gelegde feit. Het subsidiair bewezenverklaarde feit werd wel strafbaar verklaard, maar verdachte werd daarvan ontslagen wegens afwezigheid van alle schuld. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens afwezigheid van schuld door een cerebrale doorbloedingstoornis die leidde tot bewustzijnsverlies en verlies van controle over het stuur.

Uitspraak

Parketnummer: 21-002982-03
Uitspraak dd.: 23 januari 2004
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te Arnhem
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 27 juni 2003 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te Rotterdam op 14 oktober 1919.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 januari 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.
De telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd dat:
(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)
Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan. Met name acht het hof niet bewezen dat het verkeersongeval is te wijten aan schuld van de verdachte.
Het verkeersongeval heeft overdag bij normale weersomstandigheden plaatsgevonden, op een weg waar verdachte regelmatig reed en waar hij goed bekend was. Verdachte heeft aangegeven dat hij iets naar rechts moest uitwijken om een groene auto, die verdachte links genaderd was op een andere rijstrook, meer ruimte te geven. Daarbij is de verdachte tegen de trottoirband aangekomen. Verdachte heeft aangegeven dat hij vanaf dat moment zich niets meer kan herinneren; toen hij weer bijkwam stond hij stil tegen de lantaarnpaal. Uit het technisch onderzoek, zoals neergelegd in het Proces-Verbaal Verkeersongevalsanalyse, is naar voren gekomen dat verdachte vermoedelijk heeft gereden met een snelheid niet hoger dan de toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur. Verder zijn geen sporen aangetroffen die er op duiden dat de verdachte heeft getracht de aanrijdingen te voorkomen door middel van remmen of sturen. Daaruit leidt het hof af dat verdachte niet heeft geremd alvorens met de diverse slachtoffers in botsing te komen. Voorts is uit technisch onderzoek gebleken dat de auto van verdachte in een voldoende verkeerstechnische staat van onderhoud verkeerde en geen gebreken vertoonde, die eventueel de oorzaak van, dan wel van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. Verder is gebleken dat verdachte niet onder invloed van alcohol verkeerde.
Namens verdachte is aangevoerd dat er sprake is geweest van een soort black out waardoor hij de macht over het stuur heeft verloren en daardoor een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt.
Ter terechtzitting van het hof is de getuige/deskundige [getuige], neuroloog, gehoord. De deskundige heeft verdachte, in het kader van een rijbewijskeuring, in mei 2003 onderzocht. Zijn bevindingen heeft hij in een schriftelijke verklaring van 2 juni 2003 neergelegd. De deskundige heeft in aanvulling hierop ter zitting verklaard dat begin mei 2003 bij verdachte een EEG is verricht. Dit onderzoek liet een diffuus ernstig vertraagd beeld zien als past bij een diffuse cerebrovasculaire insufficiëntie van vrij ernstige aard. De deskundige stelt dat het erg onwaarschijnlijk is dat deze EEG-stoornis in maart 2003 door een TIA, die verdachte toen heeft gekregen, is veroorzaakt. Op neurologische gronden lijkt het de deskundige erg waarschijnlijk dat een cerebrale doorbloedingstoornis al aanwezig was ten tijde van het ongeval in september 2002, gelet op de aard van de aangetroffen insufficiëntie.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het ongeval door een cerebrale doorbloedingstoornis een korte tijd buiten bewustzijn is geweest en daardoor de macht over het stuur heeft verloren als gevolg waarvan het ernstige ongeval heeft plaatsgevonden.
Het hof is aldus van oordeel dat niet bewezen kan worden dat het ongeval is te wijten aan schuld van de verdachte, zodat verdachte van het primair telastegelegde feit behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op
ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde:
Overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Beroep op afwezigheid van alle schuld
Door de raadsman is gesteld dat, wanneer het subsidiair telastegelegde bewezen wordt verklaard, er sprake is van afwezigheid van alle schuld van verdachte aan het bewezenverklaarde omdat er sprake is geweest van een onverwachte (hersen)stoornis in het lichaam van verdachte waardoor deze de macht over het stuur heeft verloren en daardoor een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt.
Zoals hiervoor onder “vrijspraak” is vermeld is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het ongeval door een cerebrale doorbloedingstoornis een korte tijd buiten bewustzijn is geweest en daardoor de macht over het stuur heeft verloren als gevolg waarvan het ernstige ongeval heeft plaatsgevonden.
Het hof is van oordeel dat verdachte, bij afwezigheid van alle schuld, niet strafbaar is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 5, 177 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.
Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Aldus gewezen door
mr Dee, voorzitter,
mrs Van Kuijck en Barels, raadsheren,
in tegenwoordigheid van Heeres, griffier,
en op 23 januari 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.