ECLI:NL:GHARN:2003:AI0167

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
21 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
SOV 2003/5
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Otte
  • Rutgers van der Loeff
  • Lauwaars
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 4 EVRMArt. 509gg lid 1 SvArt. 38s lid 1 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting maatregel plaatsing in inrichting voor verslaafden ondanks gebrek aan psychotherapie

Het gerechtshof Arnhem heeft op 21 juli 2003 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Utrecht van 12 december 2002, waarin de voortzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor verslaafden werd bevolen. Betrokkene had verzocht de maatregel te beëindigen omdat psychotherapie achterwege bleef en hij niet meer gemotiveerd was het programma te volgen.

Tijdens de raadkamer op 7 juli 2003 werd betrokkene gehoord, evenals een deskundige inrichtingspsycholoog die verklaarde dat betrokkene nog in de eerste fase van het behandelprogramma zat en dat voortzetting van het programma bij motivatie nog kan bijdragen aan het oplossen van de verslavingsproblematiek. De advocaat-generaal concludeerde tot voortzetting van de maatregel.

Het hof constateerde een schending van artikel 5 lid 4 EVRM Pro wegens de lange duur tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling, maar oordeelde dat dit geen reden was om de maatregel te beëindigen. Het hof stelde een beslissingskader op waarbij eerst wordt beoordeeld of opheffing zal leiden tot ernstige overlast door hernieuwde verslavingsproblematiek, en vervolgens of voortzetting kan bijdragen aan beheersing van de verslaving. Omdat betrokkene niet gemotiveerd was en de psychiatrische problematiek geen contra-indicatie vormde, werd de maatregel voortgezet.

Het hof benadrukte dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat psychotherapie verplicht deel uitmaakt van de behandeling, aangezien de inrichting vrij is in het opstellen van het behandelprogramma. De beslissing van de rechtbank werd vernietigd en de maatregel tot plaatsing in de inrichting werd voortgezet.

Uitkomst: De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor verslaafden wordt voortgezet ondanks het ontbreken van psychotherapie en gebrek aan motivatie van betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
SOV 2003\5
Beslissing d.d. 21 juli 2003
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [verblijfplaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 12 december 2002, houdende voorzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
? de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 1 maart 2002, waarbij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden werd opgelegd, en waarbij tevens werd bepaald dat het openbaar ministerie na verloop van circa 6 maanden de rechtbank bericht over de wenselijkheid en de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel;
? het bericht van de officier van justitie op grond van artikel 38s lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van 17 september 2002 strekkende tot voortzetting van de maatregel;
? de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg hetwelk heeft geleid tot de uitspraak waarvan beroep;
? de tussenbeslissing van de rechtbank te Utrecht van 4 oktober 2001 en de beslissing waarvan beroep;
? de akte van hoger beroep van de betrokkene d.d. 13 december 2002;
? de op 16 september 2002 op grond van artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht uitgebrachte verklaring van de betrokken instelling, [verblijfplaats].
Het hof heeft in raadkamer van 7 juli 2003 gehoord:
? De betrokkene die daarbij -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende heeft verklaard:
Ik wil dat de maatregel beëindigd wordt. Nu psychotherapie achterwege blijft, ben ik niet meer gemotiveerd om het programma te volgen. Dat de maatregel hierdoor nergens toe leidt is inderdaad mijn eigen keuze. Ik wil aanwezig zijn bij de uitspraak.
? De getuige-deskundige A. Onat, als inrichtingspsycholoog verbonden aan [verblijfplaats], die daarbij, na te zijn beëdigd, - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende heeft verklaard:
Betrokkene is niet gemotiveerd om deel te nemen aan het aangeboden programma. Hij zit daarom nog steeds in de eerste fase van het behandelprogramma. Als betrokkene gemotiveerd is, verwacht ik dat dit programma zeker nog kan bijdragen aan het oplossen van zijn verslavingsproblematiek.
? De advocaat van de betrokkene mr R.I. Takens, advocaat te Utrecht, die daarbij heeft verklaard overeenkomstig aan het hof overgelegde en aan deze beslissing gehechte pleitaantekeningen.
? De advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de maatregel voort te zetten.
Overwegingen
? Het hof stelt ambtshalve het volgende vast. De beslissing waarvan beroep is op 12 december 2002 door de rechtbank genomen. Op 13 december 2002 is het hoger beroep van betrokkene ingesteld en vervolgens is het dossier op 12 februari 2003 op de griffie van dit hof binnengekomen. De behandeling van de zaak door dit hof heeft echter pas op 7 juli 2003 plaatsgevonden.
Zowel artikel 5 lid 4 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, als artikel 509gg lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat zo spoedig mogelijk dient te worden beslist. De onverwijldheid waarmee het hof op grond van deze artikelen had dienen te beslissen klemt temeer bij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor verslaafden op grond waarvan betrokkene zijn vrijheid is ontnomen. Genoemde inspanningsverplichting dwingt dan ook tot een grotere spoed dan waarvan in onderhavige zaak is gebleken. In casu is derhalve van een spoedige behandeling van het beroep geen sprake geweest, zodat sprake is van een schending van artikel 5 lid 4 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.
Bij de beantwoording van de vraag of hieraan enig gevolg verbonden dient te worden, heeft het hof zich gerealiseerd dat bij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor verslaafden geen mogelijkheid bestaat anders te beslissen dan tot het voortzetten of niet voortzetten van de maatregel. Het hof is, gelet op deze omstandigheid, van oordeel dat de beslissing om bovenstaande schendingen aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.
? Het hof dient in het kader van onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden niet langer is vereist.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strafrechtelijke opvang verslaafden (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997/1998, 26023, nr. 3) wordt aangegeven dat het doel van de maatregel tweeledig is. Enerzijds is de maatregel gericht op het terugdringen van ernstige overlast als gevolg van door drugsverslaafden gepleegde ernstige feiten. Anderzijds heeft de maatregel tot doel de individuele verslavingsproblematiek van verslaafde delinquenten beheersbaar te maken ten behoeve van hun terugkeer in de maatschappij en met het oog op beëindiging van recidive.
Gelet op het bovenstaande zal het hof bij beantwoording van de vraag of voortzetting van de maatregel is vereist, danwel of de maatregel dient te worden opgeheven, gebruik maken van het navolgende beslissingskader.
Allereerst zal vastgesteld worden of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten ernstige overlast als gevolg van - hernieuwde – verslavingsproblematiek in geval van invrijheidstelling. Vervolgens zal worden bezien of het voortzetten van de maatregel zal kunnen bijdragen aan het beheersbaar maken van de individuele verslavingsproblematiek.
Als het hof op grond van de uitgebrachte adviezen en het verhandelde in de raadkamer van oordeel is dat beide vragen positief dienen te worden beantwoord, zal het hof in beginsel de voortzetting van de maatregel gelasten.
Echter ook wanneer naar het oordeel van het hof de eerste vraag positief en de tweede vraag negatief beantwoord dient te worden, en dit laatste (mede) te wijten is aan de onwil van betrokkene zal het hof in beginsel de voortzetting gelasten, nu uit de nota naar aanleiding van het verslag met betrekking tot het wetsvoorstel Strafrechtelijke Opvang Verslaafden (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997/1998, 26023, nr. 5) blijkt dat onvoldoende succes bij de verwezenlijking van het tweede doel van de SOV geen grond oplevert om de maatregel te beëindigen, aangezien dit een ongewenste premie zou kunnen zijn op het niet meedoen aan de in de SOV geboden voorzieningen. Het vorenstaande dient overigens scherp te worden onderscheiden van het geval waarin de verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt. In dat geval zal het hof in beginsel de maatregel beëindigen.
In het bijzonder gelet op de uitgebrachte adviezen en het verhandelde in de raadkamer stelt het hof vast dat, nu nog niet is toegekomen aan de behandeling van betrokkenes verslavingsproblematiek, opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten ernstige overlast als gevolg van - hernieuwde – verslavingsproblematiek. Voorts is het hof van oordeel dat het gegeven dat de maatregel thans nog niet bijdraagt aan het beheersbaar maken van die verslavingsproblematiek te wijten is aan betrokkene zelf en dat de psychiatrische problematiek van betrokkene niet van dien aard is dat sprake is van een contra-indicatie die opheffing van de maatregel zou kunnen rechtvaardigen, zodat voortzetting van de maatregel nog steeds is vereist, en het verzoek van de betrokkene en de raadsman van betrokkene tot beëindiging van de maatregel wordt afgewezen.
? Ten overvloede overweegt het hof dat de rechtbank bij oplegging van de maatregel ten onrechte heeft overwogen dat de rechtbank bij het nemen van haar beslissing er uitdrukkelijk van uit gaat dat psychotherapie deel uitmaakt van de behandeling. Hoewel het hof de uitspraak waarbij de maatregel is opgelegd als vaststaand dient te beschouwen en slechts dient te oordelen over de vraag of voortzetting van de maatregel vereist is, hecht het hof er, mede gezien het gevoerde verweer door de betrokkene en diens raadsman, waarde aan uitdrukkelijk vast te stellen dat de wet de rechtbank geen mogelijkheid biedt om een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor verslaafden geclausuleerd op te leggen. De inrichting van de behandeling behoort niet tot het rechtsdomein van het veroordelende gerecht. Een overweging zoals door de rechtbank is gegeven kan dan ook nimmer afbreuk doen aan de vrijheid die de behandelende inrichting bezit bij het opstellen van een behandelprogramma.
Beslissing:
Het hof:
Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 12 december 2002 met betrekking tot [betrokkene].
Gelast de voortzetting van de maatregel.
Aldus gedaan door
mr Otte als voorzitter,
mrs Rutgers van der Loeff en Lauwaars als raadsheren,
en drs Mensing en drs Koster van Groos als raden,
in tegenwoordigheid van Robroek als griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2003.
Mr Lauwaars en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.