ECLI:NL:GHARN:2003:AF7400

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01-00770
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Lamens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 1998 wegens ontbreken ondernemerschap rij-instructeur

Belanghebbende stelde beroep in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 1998. Hij voerde aan dat zijn werkzaamheden als rij-instructeur als onderneming moesten worden beschouwd en dat hij recht had op de zelfstandigenaftrek.

De Inspecteur stelde dat belanghebbende weinig tot geen ondernemersrisico liep, slechts voor één opdrachtgever werkte, vaste vergoeding per uur ontving, geen bedrijfsmiddelen bezat en niet zelfstandig naar buiten trad. Belanghebbende kon deze stellingen onvoldoende weerleggen.

Het hof oordeelde dat de activiteiten van belanghebbende niet als onderneming kwalificeren, waardoor geen recht op zelfstandigenaftrek bestaat. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard. Het hof wees kostenveroordeling af wegens ontbreken van termen volgens artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 1998 wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van ondernemerschap.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
zesde enkelvoudige belastingkamer
nummer 01/00770 (inkomstenbelasting)
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998
nummer : […H86]
mondelinge behandeling : op 27 februari 2003 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbende en [de Inspecteur]
gronden:
1. Belanghebbende wenst nog slechts twee geschilpunten aan de orde te stellen. Allereerst de vraag of zijn activiteiten als rij-instructeur in het kader van een onderneming hebben plaatsgevonden. En vervolgens, indien dit zo is, of hij recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek.
2. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende weinig tot geen risico heeft gelopen, dat hij steeds voor het geven van rijles in opdracht heeft gewerkt voor één opdrachtgever, dat hij maandelijks een vaste vergoeding per uur declareerde bij de opdrachtgever, dat hij de eventueel van leerlingen contant ontvangen lesgelden afdroeg aan de opdrachtgever, dat hij niet over bedrijfsmiddelen beschikte en dat hij niet zelfstandig naar buiten trad. Belanghebbende heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende, bestreden.
3. De Inspecteur heeft op grond daarvan terecht geoordeeld dat belanghebbendes activiteiten als rij-instructeur niet in het kader van een onderneming hebben plaatsgevonden. Belanghebbende kan mitsdien niet worden aangemerkt als ondernemer. De opbrengsten zijn door de Inspecteur terecht aangemerkt als inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking.
4. In dat geval heeft belanghebbende geen recht op toepassing van de zelfstandigenaftrek. Het beroep kan derhalve niet slagen.
slotsom:
Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan op 13 maart 2003 door mr. J. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Nuboer als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(M.M. Nuboer) (J. Lamens)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 maart 2003
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.